Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de asielaanvraag van verzoekers, die mede namens hun minderjarige kinderen optraden. De verzoekers, vertegenwoordigd door hun gemachtigde mr. D.S. Harhangi-Asarfi, hadden beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin werd gesteld dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvraag. Dit besluit, dat op 1 juli 2025 was genomen, leidde tot het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting. Tijdens de beoordeling van het verzoek heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat er eerder op dezelfde dag een uitspraak was gedaan in een andere zaak (zaaknummer NL25.29184) die betrekking had op het beroep van verzoekers. Hierdoor was de noodzaak voor een voorlopige voorziening komen te vervallen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afgewezen. Tevens is er geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.