ECLI:NL:RBDHA:2025:22551
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Syrische eiser
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 12 februari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister nam de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling, omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht. Later werd vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk was vanaf 4 oktober 2023. Eiser stelde de minister op 9 april 2024 in gebreke en stelde op 8 mei 2024 beroep in wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep gegrond en beval de minister binnen acht weken na de uitspraak te beslissen. Eiser stelde op 27 juni 2025 opnieuw beroep in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank Den Haag oordeelt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden aanvangt op de datum van de aanvraag, 12 februari 2023, en niet op 4 oktober 2023 zoals de minister stelt. Hierdoor was de beslistermijn uiterlijk op 12 november 2024 verstreken.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit- en vertrekmoratorium Syrië (BVM), dat beslistermijnen verlengt, niet van toepassing is omdat de termijn al was verstreken vóór het BVM. De rechtbank legt de minister op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog te beslissen en legt een dwangsom van € 200,- per dag op met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.