Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 3 november 2025 op grond van de Dublinverordening door Zwitserland aan Nederland overgedragen en vervolgens in bewaring gesteld door de Minister van Asiel en Migratie. De maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de wettelijke grondslag van zijn ophouding en stelde dat deze onjuist was toegepast.
De rechtbank oordeelt dat de ophouding terecht is gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet, mede gelet op de aanwezigheid van een Dublin laissez-passer dat door de Koninklijke Marechaussee bij aankomst is vastgesteld. De minister heeft voldoende zware en lichte gronden aangevoerd die de maatregel van bewaring kunnen dragen, waaronder het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en het verstrekken van tegenstrijdige gegevens.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de gronden en de rechtmatigheid van de maatregel te betwisten en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.