ECLI:NL:RBDHA:2025:22534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.51734 & NL25.51735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de asielaanvraag van eiser in het kader van de Dublinverordening met betrekking tot de verantwoordelijkheid van Spanje

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de zaak op 19 november 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en de minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, wat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser heeft een Nederlandse vrouw en een pasgeboren dochter, en de rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte niet heeft meegewogen dat eiser fulltime bij zijn gezin is en dat de overdracht aan Spanje mogelijk onevenredige hardheid met zich meebrengt. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na deze uitspraak opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het beroep gegrond is verklaard. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.51734 (beroep)
NL25.51735 (verzoek om voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1993, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) niet in behandeling genomen, omdat Spanje ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam] , de vrouw van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat zijn vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zijn vrouw op [geboortedatum 2] 2025 is bevallen van een dochter. Hij had weliswaar een Spaans visum, maar deze heeft hij niet gebruikt. Hij is rechtstreeks vanuit Jordanië naar Amsterdam gevlogen. In Palestina wordt eiser onderdrukt en hij was daar krijgsgevangene. Hij wil in Nederland voor zijn gezin zorgen. Hij heeft niemand in Spanje en heeft geen leven daar. De minister heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat volgens de minister de autoriteiten van Spanje verantwoordelijk zijn voor de behandeling daarvan. Uit EU-VIS [1] is namelijk gebleken dat eiser door Spanje in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 30 mei 2024 tot
29 mei 2025. De minister heeft de autoriteiten van Spanje verzocht om overname van eiser op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. [2] De Spaanse autoriteiten zijn hiermee akkoord gegaan.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hierna zal de rechtbank, voor zover van belang, ingaan op de beroepsgronden.
Verantwoordelijkheid
6. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte vanuit gaat dat Spanje als visum verlenend land verantwoordelijk is. Eiser is rechtstreeks vanuit Jordanië naar Amsterdam gevlogen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van zijn visum. Hij benadrukt dat het visum in Palestina is afgegeven door de Spaanse ambassade, omdat de Nederlandse ambassade in Palestina gesloten was vanwege de oorlog en hij daar dus niet terecht kon.
7. De minister stelt dat de omstandigheid dat eiser beschikte over een Spaans visum voldoende is voor de verantwoordelijkheid van Spanje en de omstandigheid dat hij niet vanuit Spanje is gereisd daar geen invloed op heeft. De minister wijst er ook op dat de Spaanse autoriteiten de Dublinclaim hebben geaccepteerd.
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. Uit EU-Vis blijkt dat aan eiser een visum is afgegeven door de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben vervolgens de Dublinclaim van de minister geaccepteerd. De minister mag ervan uitgaan dat Spanje bij het beoordelen van de Dublinclaim op deugdelijke wijze heeft vastgesteld dat eiser zich daadwerkelijk met het visum toegang heeft verschaft tot het Schengengrondgebied. Het is dan verder aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij visumvrij vanuit Jordanië naar Nederland is gereisd. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een vertegenwoordigingsregeling op grond waarvan Spanje is gevraagd om namens Nederland het visum af te geven. De stelling van eiser dat de Nederlandse ambassade dicht was doet hier niet aan af, maar zal door de rechtbank worden betrokken in het kader van de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Dat ook ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is bevestigd door de hoogste bestuursrechter op 22 augustus 2023 en 24 juni 2024. [3] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
10. De door eiser ingebrachte stukken zijn meegenomen in de hiervoor genoemde uitspraken. Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Spanje niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Hiertoe is van belang dat eiser rechtstreeks van Jordanië naar Nederland is gereisd en niet in Spanje is geweest. Hij heeft geen asielaanvraag ingediend in Spanje, waardoor hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de asielprocedure en asielopvang in Spanje. Verder heeft de minister er op kunnen wijzen dat eiser zich bij voorkomende problemen in Spanje kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Spanje of de daarvoor aangewezen instanties. Niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden willen of kunnen helpen, hetgeen ook niet blijkt uit de overgelegde stukken.
Discretionaire bevoegdheid in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening
11. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser is op
[datum] 2023 getrouwd met een in Nederland woonachtige vrouw van Nederlandse nationaliteit en zij hebben een pasgeboren dochter met de Nederlandse nationaliteit. Eiser wil zorgen voor zijn gezin en samen met hen een stabiel en gelukkig leven opbouwen. Eiser woont officieel in het asielzoekerscentrum in [plaats 1] , maar is fulltime te vinden bij zijn gezin in [plaats 2] waar hij volledig deelneemt aan de zorg voor zijn dochter: het verschonen van de kleding, het baden, voeden en het begeleiden naar afspraken bij de gemeente en medische instanties. Eiser heeft geen sociale binding in Spanje, noch een woning of werk. De toekomst van eiser is in Nederland bij zijn gezin. Het voorgaande brengt volgens eiser mee dat een overdracht aan Spanje getuigt van een onevenredige hardheid. Eiser meent ook dat hij in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het arrest Chavez-Vilchez. [4]
13. De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser aan Spanje wordt overgedragen niet van onevenredige hardheid getuigt. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat ten onrechte een uitgebreide toets aan Chavez-Vilchez- arrest heeft plaatsgevonden in de plaats van een “lichte toets” zoals die in het informatiebericht (IB) 2021/33 staat. Dit heeft volgens de minister geen gevolgen voor het bestreden besluit. In dit geval is volgens de minister onvoldoende aannemelijk geworden dat eisers dochter afhankelijk is van hem. Eiser voert weliswaar samen met zijn vrouw zorgtaken uit, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Ook heeft eiser volgens de minister geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn dochter ontwikkelingsschade zou oplopen als eiser wordt overgedragen aan Spanje.
14. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 17 van de Dublinverordening gegeven bevoegdheid. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiser had voor zijn komst naar Nederland een Nederlandse vrouw. Hij is rechtstreeks naar Nederland gereisd op basis van een Spaans visum, omdat de Nederlandse ambassade in Palestina gesloten was vanwege de oorlog. Dit is door de minister niet betwist en ten onrechte niet meegenomen als bijzondere omstandigheid.
14.1.
Verder is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het IB 2021/33. De minister concludeert immers dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit het arrest Chavez-Vilchez, terwijl uit het IB 2021/33 blijkt dat de minister in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening geen volledige toets aan het arrest Chavez-Vilchez dient te verrichten. Volgens het IB 2021/33 betreft het een “lichte toets” naar de vraag of eiser verzorgende ouder is van het kind. Deze toets bestaat uit een feitencheck op vier voorwaarden: (1) het kind heeft de Nederlandse nationaliteit, (2) de identiteit en nationaliteit van de derdelander ouder staat zonder twijfel vast, (3) de (familierechtelijke) relatie tussen de derdelander ouder en het kind is aannemelijk en (4) de derdelander ouder is de verzorgende ouder en er bestaat een afhankelijkheidsverhouding tussen kind en ouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet wordt voldaan aan de “lichte toets”, waardoor de zaak, middels toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening kan worden opgenomen in de nationale procedure. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
14.2.
Niet in geschil is dat aan de eerste drie voorwaarden van de feitencheck uit het IB 2021/33 is voldaan. Ook is niet in geschil dat eiser de verzorgende ouder is van zijn dochter. De minister werpt eiser echter tegen dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers dochter hem echt nodig heeft. Als hij aan Spanje zou worden overgedragen, kan de moeder voor de dochter zorgen, aldus de minister. De rechtbank is van oordeel dat de minister hier een te hoge maatstaf hanteert en ten onrechte uitgaat van een exclusieve afhankelijkheid van de dochter ten opzichte van haar vader. Voor een dergelijke toets bestaat geen grondslag in het beleid over het arrest Chavez-Vilchez (IB 2032/31). Daarnaast is het ook niet in overeenstemming met de “lichte toets” die wordt voorgeschreven in het IB 2021/33. Dit levert een motiveringsgebrek op. De minister zal in een nieuw te nemen besluit moeten motiveren waarom geen sprake is van aan afhankelijkheidsverhouding. Hierbij moet de minister betrekken dat eiser weliswaar een meldplicht heeft, maar dat hij fulltime is te vinden bij zijn gezin in [plaats 2] . Ook moet de minister in het hogere belang van het kind alle relevante omstandigheden betrekken. Dit betekent dat moet worden meegewogen dat het hier gaat om een zeer jong kind en de minister moet motiveren waarom het vertrek van eiser, waarmee het kind samenwoont en die onbetwist zorgtaken verricht, geen risico oplevert voor de emotionele ontwikkeling en het evenwicht van het kind (IB 2032/31). Daarbij wijst de rechtbank op het belang van het kind om op te groeien met beide ouders en het belang van een veilige hechting. Zoals gezegd betreft dit alles een “lichte toets” en geen volledige toets aan het arrest Chavez-Vilchez. In de volledige toets aan dit arrest zou bij twijfel onderzoek gedaan kunnen worden door de Raad voor de Kinderbescherming (IB 2032/31). De rechtbank geeft mee dat dit te ver strekt in het kader van deze procedure en het bij twijfel eerder voor de hand ligt om de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening op te nemen in de nationale procedure. De volledige toets aan het arrest Chavez-Vilchez, welke een resttoets betreft, en de eventuele twijfels over de afhankelijkheid, kunnen na afronding van de inhoudelijke asielprocedure, verricht worden door de Chavez-unit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zoals ook voorgeschreven in IB 2021/33. De beroepsgrond van eiser slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgrond van eiser te bespreken.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen en stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten van eiser;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Europese Unie – Visum Informatie Systeem.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Arrest van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:354.