ECLI:NL:RBDHA:2025:22501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/09/684126 / JE RK 25-754
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarigen door de kinderrechter

Op 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft [minderjarige 1], geboren in 2009, onder toezicht gesteld voor de duur van zes maanden, terwijl het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2], geboren in 2011, niet langer wordt gehandhaafd. De kinderrechter oordeelt dat er ernstige zorgen zijn over de emotionele en morele ontwikkeling van [minderjarige 1], die recentelijk weer in Nederland verblijft na een periode in Spanje. De moeder van de minderjarigen is betrokken bij de procedure en heeft aangegeven dat zij ondersteuning nodig heeft in de opvoeding van [minderjarige 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder onvoldoende in staat is om de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] zonder hulp weg te nemen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen en de kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. Ten aanzien van [minderjarige 2] is er geen beslissing meer te nemen, omdat de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling niet handhaaft, gezien de situatie van [minderjarige 2] in het buitenland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/684126 / JE RK 25-754
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , [land] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats 2] , [land] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.W. Kuiper uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 2 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 2 november 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 2 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update over [minderjarige 1] van de gecertificeerde instelling van 14 oktober 2025;
  • de schriftelijke update over [minderjarige 2] van de gecertificeerde instelling van 14 oktober 2025;
  • het rapport van de Raad van 14 oktober 2025.
1.3.
Op 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
Mr. M.W. Kuiper is niet verschenen. Zij is wel goed opgeroepen.
De kinderrechter heeft [naam 3] , de meerderjarige zus van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , bijzondere toestemming verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] verblijft bij de moeder.
2.2.
[minderjarige 2] verblijft in Marokko.
2.3.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 2 mei 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, welk verzoek op 2 mei 2025 voor zes maanden is toegewezen en voor het overige is aangehouden. De Raad heeft in het rapport van 14 oktober 2025 verzocht het verzoek te wijzigen, in die zin dat het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] niet langer wordt gehandhaafd.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] als volgt gemotiveerd. Er zijn een lange periode zorgen geweest om [minderjarige 1] op het gebied van zijn emotionele en morele ontwikkeling, en de veiligheid thuis. Sinds 20 september 2025 verblijft [minderjarige 1] weer in Nederland. De Raad maakt zich zorgen over een mogelijke terugval van [minderjarige 1] in de verkeerde patronen, omdat hij geen dagbesteding heeft. De kans is aanwezig dat de moeder het overzicht en overwicht op [minderjarige 1] verliest en dat hij dan verkeerde keuzes gaat maken. De moeder lijkt momenteel onvoldoende in staat om, in het belang van [minderjarige 1] , samen te werken met het professionele netwerk. Het is van belang dat de jeugdbeschermer inzet op het realiseren van structuur en grenzen in de opvoedsituatie, omdat [minderjarige 1] hierbij gebaat is. De moeder moet hierbij ondersteund worden door hulpverlening. Daarnaast zou het goed zijn als [minderjarige 1] door een dagbesteding weer in contact komt met leeftijdgenoten en hij weer onderwijs zou kunnen gaan volgen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder vindt het prima als een jeugdbeschermer betrokken is bij [minderjarige 1] , maar zij moet niet te veel afspraken hebben met deze jeugdbeschermer. De moeder heeft haar baan en opleiding moeten stoppen, vanwege de zorgen over [minderjarige 1] . De moeder zou graag weer gaan werken en aan een opleiding beginnen, maar daarvoor is het wel belangrijk dat daar door de gecertificeerde instelling rekening mee wordt gehouden. De moeder let thuis goed op [minderjarige 1] . Hij luistert goed en komt op tijd thuis. De moeder ziet in dat zij vroeger te lief was voor de kinderen. [minderjarige 1] heeft een nieuwe coach van [instantie 1] die onder meer met hem is gaan boksen. [minderjarige 1] werkt bij de McDonalds en de moeder heeft geregeld dat [minderjarige 1] op maandag, donderdag en vrijdag online aan school kan werken met het [schoolnaam 1] . Zij heeft ook geprobeerd te regelen dat [minderjarige 1] op het [schoolnaam 2] in [plaats] mag starten, maar dit is niet gelukt. De coach gaat kijken of hij dit wel kan regelen. De coach van [minderjarige 1] heeft verder aangegeven dat [minderjarige 1] binnenkort naar dagbesteding kan gaan. Verder heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige 1] bang is voor de aankomende strafrechtzitting, omdat hij niet terug wil naar de jeugddetentie.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. [minderjarige 1] zal 15 uur per week een coach krijgen van [instantie 1] . Daarnaast is er door de jeugdreclasseerder een aanmelding gedaan bij [instantie 2] voor een zorg-onderwijstraject. Als het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt toegewezen, zal erop gelet worden dat de moeder niet overvraagd wordt in het contact met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening, maar is het wel belangrijk dat er voldoende zicht is op [minderjarige 1] . Het is van belang dat er zowel een jeugdreclasseerder als een jeugdbeschermer bij [minderjarige 1] betrokken is, omdat de jeugdbeschermer breder kan kijken naar de zorgen en regie kan nemen over de benodigde hulpverlening.

5.De beoordeling

Ten aanzien van [minderjarige 1]
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt ernstig bedreigd. Er zijn een langere periode grote zorgen geweest over de emotionele en morele ontwikkeling van [minderjarige 1] , zijn agressieve en zelfbepalende gedrag, en de veiligheid in huis. Hij sloeg zijn broer en kwam in contact met de politie. [minderjarige 1] heeft een periode in Spanje verbleven bij zijn oom, omdat de moeder dacht dat dit hem zou helpen. Hoewel [minderjarige 1] nu naar de moeder lijkt te luisteren, is deze ontwikkeling pril en is de situatie erg kwetsbaar. De moeder kan haar overzicht en overwicht op [minderjarige 1] weer verliezen. In de korte tijd dat [minderjarige 1] weer in Nederland verblijft, is er een coach en dagbesteding geregeld. Het is van belang dat er daarnaast onderwijs voor [minderjarige 1] en opvoedondersteuning voor de moeder geregeld wordt, om te voorkomen dat [minderjarige 1] weer terugvalt in zijn oude gedrag. De onderliggende patronen zijn immers nog niet weggenomen. De moeder is voldoende bereid, maar onvoldoende in staat om de ernstige ontwikkelingsbedreiging met vrijwillige hulpverlening weg te nemen. Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die regie voert over de in te zetten hulpverlening, toezicht houdt op het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige 1] , en kijkt hoe [minderjarige 1] weer onderwijs kan gaan volgen. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling bij het plannen van afspraken met de moeder er rekening mee houdt dat zij weer wil gaan werken en een opleiding volgen, zodat de moeder tot haar eigen ontwikkeling toekomt. De jeugdbeschermer moet naast de moeder gaan staan en haar ondersteunen en ontlasten. Het is van belang dat de moeder de afspraken met de jeugdbeschermer nakomt.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van zes maanden.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van [minderjarige 2]
5.6.
Blijkens het rapport van 14 oktober 2025 handhaaft de Raad het eerder ingediende verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] niet. Daartoe is redengevend dat de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar is zolang [minderjarige 2] in het buitenland verblijft. Er is geen zicht op het verblijf, de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige 2] . De kinderrechter constateert daarom dat zij in de onderhavige zaak ten aanzien van [minderjarige 2] geen beslissing meer hoeft te nemen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 november 2025 tot 2 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
stelt vast dat er ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] niets meer te beslissen valt.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.