ECLI:NL:RBDHA:2025:22402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25/1839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp en compensatie in het kader van de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp en de weigering van de Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen voor de jaren 2011 tot en met 2014, 2016 en de periode van september tot en met december 2019 beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. S.V. Hendriksen, heeft in een eerder besluit van 27 december 2022 compensatie aangevraagd, die gedeeltelijk is toegewezen voor de jaren 2015, 2017, 2018 en de periode van januari tot en met augustus 2019, maar afgewezen voor de overige jaren. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij eiseres en de gemachtigden van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank overweegt dat de hersteloperatie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire inhoudt dat ouders compensatie kunnen ontvangen voor onterecht teruggevorderde of onthouden kinderopvangtoeslag. De rechtbank concludeert dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2014 en 2016, omdat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp voor het jaar 2018 correct is vastgesteld en dat eiseres geen recht heeft op extra compensatie voor het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2020.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen niet in strijd is met de wet en dat de procedure rondom de hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie correct is verlopen. Eiseres krijgt geen vergoeding voor proceskosten en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1839

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. Achalhi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp en de weigering van verweerder om aan eiseres compensatie toe te kennen voor de jaren 2011 tot en met 2014, 2016 en de periode van september tot en met december 2019.
1.1.
Verweerder heeft in het primaire besluit van 27 december 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2015, 2017, 2018 en de periode van januari tot en met augustus 2019 en afgewezen voor de jaren 2011 tot en met 2014, 2016 en de periode van september tot en met december 2019. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 is verweerder bij de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2019.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 10 augustus 2022 geconcludeerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor de jaren 2011
tot en met 2014, 2016 en de periode van september tot en met december 2019. Voor de jaren 2011 tot en met 2014 geldt dat de kinderopvangtoeslag op reguliere wijze neerwaarts is gecorrigeerd op basis van de door de kinderopvanginstelling of eiseres aangeleverde gegevens dan wel naar aanleiding van een wijziging in de hoogte van het toetsingsinkomen. Voor het jaar 2016 heeft geen neerwaartse correctie van de kinderopvangtoeslag plaatsgevonden en voor de periode van september tot en met december 2019 is sprake van evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat de kinderopvangtoeslag voor die maanden was stopgezet. Voor de jaren 2015, 2017, 2018 en de periode van januari tot en met augustus 2019 heeft eiseres wel recht op compensatie wegens vooringenomen handelen. Onder verwijzing naar dat advies, is het verzoek om compensatie in het primaire besluit gedeeltelijk afgewezen.
4. In het bestreden besluit is verweerder, onder verwijzing naar het advies van de
bezwaarschriftenadviescommissie (bac) van 22 januari 2025, bij het primaire besluit gebleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de voor het jaar 2018 toegekende vergoeding voor juridische hulp. Volgens eiseres moet het toegekende bedrag van € 984 worden opgehoogd met een vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting op
11 augustus 2020. Eiseres stelt verder dat verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor verschillende jaren van een onjuist toetsingsinkomen is uitgegaan. Voor het jaar 2014 is bij de neerwaartse correctie van 21 mei 2014 sprake geweest van vooringenomen handelen. Daarnaast stelt eiseres dat de gang van zaken bij de bac onzorgvuldig is verlopen en dat mogelijk sprake is van strijd met artikel 7:13, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat vindt verweerder in beroep?
6. Verweerder stelt dat eiseres gecompenseerd is voor het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2020. De vraag of bij het vaststellen van de kinderopvangtoeslag
van een juist toetsingsinkomen is uitgegaan, valt buiten de reikwijdte van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder is wettelijk gehouden om uit te gaan van het toetsingsinkomen zoals vastgesteld door de Belastingdienst op basis van de aanslag inkomstenbelasting. Eiseres heeft geen recht op compensatie voor het jaar 2014, omdat niet is gebleken dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. De hoorzitting bij de bac heeft in overeenstemming met artikel 7:13, derde lid, van de Awb plaatsgevonden en van schending van de hoorplicht is geen sprake.
Omvang van het geding
7. De rechtbank overweegt dat de omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit. De vraag die hier voorligt is of verweerder de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp juist heeft vastgesteld en of verweerder het verzoek van eiseres om compensatie op goede gronden gedeeltelijk heeft afgewezen. De rechtbank maakt uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting op dat eiseres zich afvraagt per wanneer zij op de FSV-lijst is geplaatst. Deze vraag valt buiten de omvang van het geschil en bespreekt de rechtbank daarom niet.
Wat is het toetsingskader?
8. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening. [1]
9. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht [2] worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Vergoeding juridische hulp 2018
10. Uit productie 57 van het bezwaardossier volgt dat eiseres op 2 januari 2019 op eigen naam bezwaar heeft gemaakt tegen de nihilstelling van 28 december 2018 [3] . Dit bezwaar is op 2 april 2019 ongegrond verklaard, waarna eiseres met hulp van haar gemachtigde in beroep is gegaan. Hangende dit beroep is eiseres op 11 augustus 2020 in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren mondeling toe te lichten. Op 4 november 2020 is de beslissing op bezwaar van 2 april 2019 herzien. Het beroep is vervolgens door de gemachtigde ingetrokken en bij uitspraak van 12 januari 2021 heeft de rechtbank een proceskostenvergoeding van € 534 aan eiseres toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Eiseres stelt dat aan haar geen vergoeding is toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2020.
11. De rechtbank constateert allereerst dat de toelichting die verweerder in dit verband ter zitting heeft gegeven, namelijk dat de vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting is verwerkt in de vergoeding juridische hulp voor het jaar 2019, niet aansluit bij de feiten in het dossier en de toelichting in het verweerschrift. In het verweerschrift is immers toegelicht dat aan eiseres voor het jaar 2019 ten onrechte een vergoeding voor juridische hulp is toegekend en dat in zoverre sprake is van overcompensatie. Uit het verweerschrift volgt verder dat verweerder voor het jaar 2018 heeft gerekend met 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2020, met een waarde per punt van € 759 [4] en een wegingsfactor van 2. Daarop is vervolgens in mindering gebracht de reeds ontvangen proceskostenvergoeding van € 534 [5] . Aan eiseres is echter geen vergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaar van 2 januari 2019, omdat eiseres toen niet is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Uit het voorgaande volgt, anders dan de gemachtigde beweert, dat eiseres dus wel degelijk is gecompenseerd voor de hoorzitting van 11 augustus 2020. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Toetsingsinkomen
12. De vraag of verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag van de juiste inkomensgegevens is uitgegaan, valt buiten de reikwijdte van de Wht. [6] Als eiseres het niet eens was met de door verweerder gehanteerde inkomensgegevens, had zij bezwaar moeten maken tegen de aan haar opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en haar gronden in die procedures naar voren moeten brengen. Een afwijking tussen het daadwerkelijke over een berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend, leidt, zonder bijkomende omstandigheden, niet tot het oordeel dat sprake is van vooringenomen handelen. [7] De enkele stelling van eiseres dat haar boekhouder onjuiste gegevens zou hebben doorgegeven aan de Belastingdienst, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat sprake is van dergelijke omstandigheden.
Afwijzing compensatie 2014
13.1
Verweerder heeft onder verwijzing naar productie 8 bij het verweerschrift toegelicht dat de neerwaartse correctie van 21 mei 2014 het gevolg is van een wijziging van de kinderopvanggegevens die eiseres op 22 april 2014 aan verweerder heeft doorgegeven. Eiseres heeft daarbij het aantal opvanguren en de kosten per uur niet ingevuld waardoor deze wijziging door het systeem van verweerder is opgevat als een stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 16 mei 2014, wat geresulteerd heeft in de voorschotbeschikking van 21 mei 2014 en een verlaging van de kinderopvangtoeslag tot het bedrag van € 6.600.
De rechtbank overweegt dat het inherent is aan het systeem van toeslagen dat, zolang het recht op toeslag nog niet definitief is vastgesteld, verweerder door tussentijdse wijzingen die een ouder doorgeeft het voorschot kinderopvangtoeslag kan aanpassen. Deze reguliere correctie van het recht op kinderopvangtoeslag duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op vooringenomenheid aan de zijde van verweerder. De kinderopvangtoeslag is na de voorschotbeschikking van 21 mei 2014 bovendien weer naar boven bijgesteld. Daardoor kan in zoverre geen sprake zijn van door eiseres geleden schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
13.2
Eiseres heeft op 22 april 2014 de kinderopvangtoeslag weer aangevraagd per
16 mei 2014. Het systeem van verweerder heeft deze wijziging echter niet direct verwerkt, omdat eiseres een uitzonderlijk hoog aantal opvanguren heeft doorgegeven. Eiseres is daarom per brief van 20 mei 2014 verzocht om contact op te nemen met verweerder. Op
28 mei 2014 vindt er telefonisch contact plaats tussen eiseres en verweerder, waarbij eiseres haar ongenoegen uit over de onbereikbaarheid van de briefschrijver en verweerder. Op
3 juni 2014 geeft eiseres telefonisch het juiste aantal opvanguren door aan verweerder. Deze wijziging is vervolgens verwerkt in het besluit van 22 juli 2014, waardoor de kinderopvangtoeslag weer naar boven is bijgesteld op een bedrag van € 11.874. Ook de voorgaande reguliere wijziging in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag duidt niet op vooringenomenheid aan de zijde van verweerder.
13.3
Eiseres is voor dit jaar dus terecht niet in aanmerking gebracht voor compensatie.
Artikel 7:13, derde lid, van de Awb
14. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat twee leden van de bac niet aanwezig waren bij de hoorzitting, waardoor eiseres zich afvraagt of sprake is van strijd met artikel 7:13, derde lid, van de Awb. Ook heeft eiseres haar twijfels bij de onafhankelijkheid van het aanwezige lid van de bac. Eiseres vindt dat de hoorzitting bij de bac chaotisch is verlopen en zij had het gevoel dat zij niet serieus werd genomen. Tijdens de hoorzitting is eiseres bovendien ondervraagd, wat volgens de gemachtigde van eiseres geen gebruikelijke gang van zaken is.
14.1
Uit artikel 7:13, derde lid, van de Awb, volgt dat de bac een hoorzitting mag laten plaatsvinden door één van haar commissieleden, mits dat commissielid niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder. Verweerder heeft in het verweerschrift verklaard dat de hoorzitting is gehouden door een commissielid die niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder. De rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Van strijd met artikel 7:13, derde lid, van de Awb is dan ook niet gebleken.
14.2
De rechtbank overweegt verder dat uit het verslag van de hoorzitting niet is gebleken dat eiseres is ondervraagd door de bac en niet alles naar voren heeft kunnen brengen. Dat maar één lid van de bac aanwezig was, maakt niet dat de hoorzitting onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Van een schending van de hoorplicht is evenmin gebleken. Het advies van de bac is bovendien mede vastgesteld door de twee afwezige leden en het advies is, anders dan ter zitting door de gemachtigde van eiseres is gesteld, wel degelijk ondertekend door de voorzitter van de bac. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat bij de totstandkoming van het advies van de bac onzorgvuldig is gehandeld.
15. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.
2.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70 en 71.
3.Zie productie 54 van het bezwaardossier.
4.Dit betreft het destijds geldende tarief.
5.Dit volgt uit artikel 2.3, zesde lid, van de Wht.