Op 13 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van twee diefstallen. De verdachte, geboren in 1986 en momenteel gedetineerd, werd beschuldigd van het stelen van een telefoon en een fietstas op 7 augustus 2025 in Delft. Tijdens de zitting heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T. Berger, en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. C.I. Zaad. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en de aangiften van de slachtoffers. De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar was en legde een gevangenisstraf van twee maanden op, met opheffing van de voorlopige hechtenis, omdat de duur van het voorarrest langer was dan de strafeis. De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte, dat wees op veelvuldige recidive van vermogensdelicten, en concludeerde dat de op te leggen straf in overeenstemming was met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank besloot dat er geen aanleiding was voor een voorwaardelijk strafdeel en dat de verdachte na het uitzitten van zijn straf aan de Vreemdelingenpolitie zou worden overgedragen.