In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die aan eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in vreemdelingenbewaring zit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 21 september 2025 is opgelegd op grond van onrechtmatig verblijf volgens de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt in zijn uitzetting, vooral omdat er onduidelijkheid bestond over de voortgang van de aanvraag van de laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere belangenafweging rechtvaardigen. De rechtbank heeft ook ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring getoetst en geen onrechtmatigheid vastgesteld. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot rechtsmiddel.