ECLI:NL:RBDHA:2025:22336

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.36368
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening geschorst verblijfsrecht verzoekster tot uitspraak beroep

Verzoekster verblijft sinds circa 1987 in Nederland, deels rechtmatig en deels onrechtmatig. Haar verblijfsrecht als familielid van een EU-burger verviel per 23 augustus 2019, waarna haar aanvraag voor vernieuwing van het verblijfsdocument werd afgewezen. Verzoekster stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om procedureel rechtmatig verblijf te verkrijgen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een voldoende spoedeisend belang heeft, mede vanwege haar nijpende financiële situatie door opschorting van haar Anw-uitkering. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging waarbij de belangen van verzoekster, waaronder het voorkomen van dakloosheid en het kunnen uitoefenen van familie- en privéleven, zwaarder wegen dan de belangen van verweerder bij handhaving van het besluit.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit wordt geschorst tot uitspraak op het beroep. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter G.A. Bouter - Rijksen en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst tot uitspraak op het beroep en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36368

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , [v-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Met het besluit van 18 december 2024 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoekster per 23 augustus 2019 is komen te vervallen en heeft verweerder de vernieuwingsaanvraag voor een verblijfsdocument afgewezen.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, J.M. van der Boom als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Wat ging aan deze procedure vooraf?
3.1.
Verzoekster verblijft vanaf ongeveer 1987 (merendeels) in Nederland, deels rechtmatig en deels onrechtmatig. Verzoekster is op 15 oktober 2014 in bezit gesteld van een verblijfsdocument EU/EER (als familielid van een burger van de Unie, in dit geval haar destijds minderjarige dochter) geldig tot 15 oktober 2019. Op 25 september 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor duurzaam verblijf als familielid van een burger van de Unie. Deze aanvraag heeft verweerder afgewezen, waarbij is meegedeeld dat de afwijzing geen gevolgen heeft voor haar verblijfsrecht als familielid van een burger van de Unie. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.
3.2.
Op 22 februari 2024 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor de vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER. Op 14 november 2024 heeft verweerder een voornemen uitgebracht waarin is vermeld dat verzoekster niet langer voldeed aan de voorwaarden van haar verblijfsrecht vanaf het moment dat haar dochter meerderjarig was geworden (op 23 augustus 2019). Met het besluit van 18 december 2024 heeft verweerder vervolgens vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoekster per 23 augustus 2019 is komen te vervallen en heeft verweerder de vernieuwingsaanvraag voor een verblijfsdocument afgewezen. Tevens heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Verzoekster mocht het bezwaar hiertegen in Nederland afwachten.
3.3.
In het bestreden besluit van 22 juli 2025 is verweerder hierbij gebleven. De uitspraak op het beroep hiertegen mag verzoekster niet in Nederland afwachten. De uitspraak op het tijdig aangevraagde verzoek om een voorlopige voorziening mag zij wel in Nederland afwachten. Omdat verzoekster hiermee geen (procedureel) rechtmatig verblijf heeft in Nederland, heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) haar uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) opgeschort vanaf 8 augustus 2025.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Daarbij is het volgende door verzoekster naar voren gebracht.
5. Het verzoek om een voorlopige voorziening is door verzoekster ingesteld met als doel om procedureel rechtmatig verblijf te krijgen. Met een (procedureel) rechtmatige verblijfsstatus zou verzoekster weer recht hebben op haar Anw-uitkering. Zij heeft aangevoerd dat zij op korte termijn in een financiële noodsituatie terecht zal komen nu haar Anw-uitkering is stopgezet. Ter onderbouwing heeft zij documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij onder meer een huurachterstand heeft bij Havensteder en een betalingsachterstand bij haar verzekeringsmaatschappij en bij Odido. Volgens verzoekster kan Havensteder na een huurachterstand van drie maanden overgaan tot ontruiming.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft. Weliswaar erkent verweerder dat de financiële situatie van verzoekster nijpend is door de beëindiging van haar Anw-uitkering, maar verweerder meent dat het verzoek om een voorlopige voorziening alleen binnen de kaders van de vreemdelingenwetgeving beoordeeld dient te worden. De beslissing of de Anw-uitkering van verzoekster weer hervat kan worden is niet aan verweerder maar aan de SVB en valt niet binnen dit kader.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de strekking van het verzoek om een voorlopige voorziening enkel dat verzoekster procedureel rechtmatig verblijf verkrijgt totdat op haar beroep is beslist. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter niet om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat haar Anw-uitkering wordt hervat. De hervatting van de uitkering is wel een door verzoekster beoogd gevolg van toewijzing van haar verzoek om procedureel rechtmatig verblijf. Niet in geschil is dat de uitkering is opgeschort omdat verzoekster thans geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Gelet op haar nijpende financiële situatie, die door verzoekster is onderbouwd en door verweerder niet wordt bestreden, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze voorlopige voorzieningen- procedure zich niet leent voor een beoordeling van de kans van slagen van het beroep en heeft dit bij bericht van 10 november 2025 aan partijen kenbaar gemaakt. Daarvoor acht zij de hoofdzaak inhoudelijk te complex en omvangrijk.
9.1.
De voorzieningenrechter zal daarom een belangenafweging maken tussen de belangen van verzoekster bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening en de belangen van verweerder bij afwijzing van dat verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. Zij overweegt daartoe als volgt.
9.2.
Verzoeksters belangen zijn allereerst financieel van aard. Het niet toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening zou haar in verdere betalingsmoeilijkheden brengen en op korte termijn in een financiële noodsituatie. Een verdere opbouw van haar huurschuld zal leiden tot ontbinding van haar huurcontract en ontruiming van de woning. Verzoekster zal dan dakloos zijn. In geval haar beroep slaagt, zal zij moeilijk aan een andere woning kunnen komen. Verder rust bij het niet toewijzen van het verzoek op verzoekster een vertrekplicht en zijn haar belangen gelegen in het kunnen uitoefenen van familie- en privéleven in Nederland met haar dochters en kleinkinderen. Zij past onder meer wekelijks in het weekend op haar kleindochter op, die dan bij haar logeert. Tot slot zijn haar belangen gelegen in de hulp die zij ontvangt van haar familieleden in verband met haar medische klachten.
9.3.
Verweerder heeft de volgende belangen naar voren gebracht. Allereerst wijst verweerder op het in zijn visie deugdelijke bestreden besluit. Aan de gevolgen van dit besluit zou bij toewijzing van de voorlopige voorziening tijdelijk geen uitvoering worden gegeven. Verder wijst verweerder op het economisch belang. Als er geen sprake is van rechtmatig verblijf dan kan er geen gebruik gemaakt worden van voorzieningen die ten laste komen van de openbare kas.
9.4.
De belangen van verzoekster bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter zonder meer zwaarwegend. Het niet treffen van de voorziening kan mogelijk leiden tot een voor verzoekster zeer ingrijpende situatie. De belangen van verweerder zijn gelegen in het beroep op de openbare kas waar verzoekster weer een beroep op zou kunnen doen en in het niet ten uitvoer kunnen leggen van de gevolgen van het bestreden besluit. Deze belangen wegen echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op dit moment minder zwaar dan die van verzoekster. Bovendien is de te treffen voorziening tijdelijk van aard, zodat geen sprake is van een grote inbreuk op de belangen van verweerder.
9.5.
Gelet op al het voorgaande, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep.
11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.