ECLI:NL:RBDHA:2025:22314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.54792
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring van een EU-burger en de beoordeling van bewaringsgronden

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die aan eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die zich in de ophoudingsfase bevond, stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij niet correct was geïnformeerd over zijn rechten in de Bulgaarse taal, maar in plaats daarvan in het Turks-Koerdisch. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een gebrek, aangezien eiser had kunnen reageren op de mededelingen van de verbalisant en niet had aangegeven dat hij de tolk niet goed verstond.

De rechtbank beoordeelde de bewaringsgronden en concludeerde dat de minister terecht had gesteld dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser had eerder een beschikking ontvangen waarin zijn rechtmatig verblijf was ingetrokken en had niet uit eigen beweging Nederland verlaten. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b en 3c, die betrekking hebben op het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van de verplichting om Nederland te verlaten, voldoende waren om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden overwogen, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom dit niet mogelijk was. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was en dat het beroep ongegrond was, evenals het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting, in aanwezigheid van griffier M. Stehouwer, en is openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54792

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen E.M. Boudinova-Yordanova. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ophoudingsfase
1. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is, omdat hij tijdens de ophouding op zijn rechten is gewezen in de Turks-Koerdische taal in plaats van de Bulgaarse taal. Eiser verwijst hiervoor naar het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) van 7 november 2025.
2. Uit de M105-A blijkt dat eiser ten aanzien van de verstaanbaarheid van de Turks-Koerdische tolk heeft verklaard: ‘‘
ik versta u, de tolk, goed’’. Daarnaast blijkt uit de M105-A dat eiser op alle mededelingen die de verbalisant aan hem heeft gedaan, heeft kunnen reageren. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij de Turks-Koerdische tolk niet goed kon begrijpen, maakt dit niet anders nu in de (op ambtseed opgemaakte) M105-A iets anders staat. Er mocht van eiser verwacht worden dat, als hij de tolk niet (goed) kon verstaan, hij dit zou aangeven toen ernaar werd gevraagd. Er is dus naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een gebrek.
3. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat de ophouding een gebrek kende waarmee de inbewaringstelling onrechtmatig is, niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, omdat hij zoveel mogelijk meewerkt aan zijn uitzetting. Bovendien wordt hij regelmatig door de politie aangetroffen op straat, wat hem niet onvindbaar maakt. Met betrekking tot zware grond 3c voert eiser aan dat hij niet zelfstandig Nederland heeft kunnen verlaten, omdat hij geen geld heeft om zijn vertrek te bekostigen. Wat betreft zware grond 3i voert eiser aan dat hij zo snel mogelijk terug wil naar Bulgarije en ook contact wil opnemen met de Bulgaarse autoriteiten. Hierdoor kan eiser niet worden verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot terugkeer. Ten aanzien van lichte grond 4a stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet in het bezit is van een paspoort, omdat zijn identiteit correct is vastgesteld. Met betrekking tot lichte grond 4c voert eiser aan dat hij weliswaar dakloos is, maar dat dit geen vluchtgevaar vormt. Tot slot voert eiser ten aanzien van de lichte grond 4d aan dat hij geld kan krijgen van zijn broer waarmee hij zijn vertrek naar Bulgarije kan bekostigen. Daarnaast kan eiser zijn vertrek betalen met de schadevergoeding die verweerder nog aan hem verschuldigd is naar aanleiding van de uitspraak van 14 oktober 2025 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Door van zijn onrechtmatig verblijf geen mededeling te doen aan de korpschef heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Verweerder heeft de zware grond 3b dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring.
8. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 31 juli 2025 een beschikking gekregen waarin zijn rechtmatig verblijf op basis van het Unierecht is ingetrokken en waarin staat dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten en anders kan worden uitgezet. Door niet uit eigen beweging uit Nederland te vertrekken heeft eiser niet aan deze verplichting voldaan. Verweerder heeft de zware grond 3c dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring.
9. De zware gronden 3b en 3c, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de overige zware en lichte gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken.
Lichter middel
10. Eiser betoogt verder dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat er geen sprake is van een concreet vluchtgevaar. De maatregel is onevenredig. Bovendien had verweerder beter moeten onderbouwen waarom hij niet met een lichter middel had kunnen volstaan, gelet op het feit dat eiser een EU-burger is.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder verwijst in dit verband terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:505) volgt dat de bewaring van een EU-burger alleen gerechtvaardigd kan zijn als de maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en gebaseerd is op het gedrag van de betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een gerechtvaardigde inbewaringstelling van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank weegt hierbij bijzonder zwaar aan het feit dat eiser na de opheffing van de eerdere maatregel niet alsnog uit eigen beweging Nederland heeft verlaten.
12. De beroepsgrond dat verweerder met een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling had moeten volstaan, slaagt dan ook niet.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.