In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie behandeld. Eiser, die op 25 december 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 15 mei 2025 te horen dat zijn aanvraag ongegrond was verklaard. De rechtbank heeft op 7 november 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet alle relevante elementen van de asielaanvraag van eiser heeft vastgesteld en beoordeeld. Eiser, die stelt dat hij vanwege zijn christelijke geloof en etniciteit problemen ondervindt in Gambia, heeft niet kunnen aantonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank concludeert echter dat de minister de problemen die eiser ondervindt vanwege zijn geloof ten onrechte alleen als familieproblemen heeft beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt ook een proceskostenvergoeding van € 1.814,-.
De rechtbank benadrukt dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen alle relevante elementen moet vaststellen en dat de bescherming van de autoriteiten in Gambia voor eiser mogelijk is. De rechtbank wijst erop dat eiser niet heeft aangetoond dat het zinloos is om zich tot de autoriteiten te wenden voor bescherming. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.