ECLI:NL:RBDHA:2025:22312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.25336
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Meesters - van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van eiser met Gambiaanse nationaliteit en problemen door geloof en etniciteit

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie behandeld. Eiser, die op 25 december 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 15 mei 2025 te horen dat zijn aanvraag ongegrond was verklaard. De rechtbank heeft op 7 november 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet alle relevante elementen van de asielaanvraag van eiser heeft vastgesteld en beoordeeld. Eiser, die stelt dat hij vanwege zijn christelijke geloof en etniciteit problemen ondervindt in Gambia, heeft niet kunnen aantonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank concludeert echter dat de minister de problemen die eiser ondervindt vanwege zijn geloof ten onrechte alleen als familieproblemen heeft beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt ook een proceskostenvergoeding van € 1.814,-.

De rechtbank benadrukt dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen alle relevante elementen moet vaststellen en dat de bescherming van de autoriteiten in Gambia voor eiser mogelijk is. De rechtbank wijst erop dat eiser niet heeft aangetoond dat het zinloos is om zich tot de autoriteiten te wenden voor bescherming. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25336

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: M.C. Post-Kadijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 25 december 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening [1] , op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en tot de Jola bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verklaard dat hij geboren is in een moslimfamilie. Zijn vader is een groot moslim, zijn moeder is christelijk. De familie van de vader van eiser kon niet accepteren dat zijn vader trouwde met zijn moeder, terwijl zijn moeder een buitenlandse en christelijk is. Eiser heeft verklaard dat er hierdoor veel ruzie was binnen de familie. De ooms van eiser hebben zijn vader vermoord. De ruzie is daarna verder geëscaleerd toen de bezittingen van de vader van eiser moesten worden verdeeld. Eiser heeft verklaard toen te zijn mishandeld door zijn ooms. Daarop heeft eiser auto’s van zijn ooms verbrand en één van zijn ooms geslagen met een mes. Deze oom is hierna overleden. Eiser is met zijn zusje gevlucht. Het zusje van eiser is tijdens de reis overleden, nadat haar boot is omgeslagen.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt vast dat de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit niet zijn aangetoond met documenten, maar houdt in deze procedure wel de door eiser genoemde persoonsgegevens aan. De minister concludeert dat eiser geen bekeerling is, omdat hij de islam nooit heeft aangehangen. De door eiser omschreven familieproblemen, die te maken hadden met zijn geloof, worden door de minister geloofwaardig geacht. Voor deze problemen kan eiser de bescherming van de autoriteiten inroepen. De verklaringen van eiser over discriminatie vanwege zijn etniciteit worden door de minister geloofwaardig geacht. De minister concludeert dat niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging. De vrees voor problemen met de familie van eiser wordt geloofwaardig geacht, maar hiervoor kan eiser bescherming inroepen bij de autoriteiten in Gambia. De door eiser gestelde problemen vanwege zijn etniciteit zijn ook aannemelijk, maar niet voldoende zwaarwegend om te spreken over vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
De gronden van beroep
7. Eiser heeft aangevoerd dat de Jola gemeenschap een minderheid vormt in Gambia. Eiser stelt dat hij vanwege zijn etniciteit werd gediscrimineerd en geen hulp van de politie ontving. Daarnaast is corruptie een groot probleem in Gambia. Omdat de neef van eiser goede contacten heeft binnen de overheid is het voor eiser niet mogelijk de bescherming van de overheid in te roepen. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij door de familie van vaderskant en anderen als een afvallige wordt gezien, omdat zijn vader moslim was. Bekering is over het algemeen onaanvaardbaar in de Gambiaanse moslimgemeenschap en de weerstand tegen bekering is wijdverspreid. Bekeerlingen lopen het meeste risico op fysiek, psychologisch en verbaal geweld vanwege hun geloof. Gambia is voor eiser niet veilig. Er bestaan concrete aanwijzingen dat eiser bij uitzetting naar Gambia zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Er bestaat geen grond om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen.
Beoordeling
Etniciteit
8. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de vrees voor problemen vanwege etniciteit aannemelijk is, maar onvoldoende zwaarwegend. De minister heeft hieraan terecht ten grondslag gelegd dat uit openbare informatie blijkt dat Jola een minderheid vormen, maar niet blijkt dat er structurele discriminatie plaatsvindt tegen deze groep. De minister heeft daarnaast aan eiser tegen kunnen werpen dat eiser heeft verklaard dat het zijn van een minderheid en gediscrimineerd worden als Jola voor eiser geen reden was om Gambia te verlaten. [2] De minister heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij naar school kon gaan, zijn vader (die ook Jola was) heeft kunnen werken en er toegang tot de gezondheidszorg was. Eiser is daarom door de discriminatie niet zo ernstig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [3] In geval van discriminatie kan eiser aangifte doen bij de politie of Nationale ombudsman. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het zinloos is om zich tot de politie of (hogere) autoriteiten te wenden en dat zij eiser niet kunnen of willen beschermen. Eiser is daarin niet geslaagd. Door eiser is niets aangevoerd waaruit blijkt dat door de minister een ander besluit genomen had moeten worden.
Godsdienst en familieproblemen
9. Ten aanzien van het geloof van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen overweegt de rechtbank als volgt.
9.1
Bij de beoordeling van het asielrelaas moet de minister eerst de relevante elementen vaststellen en daarna moet de minister beoordelen of die elementen geloofwaardig zijn en of ze aanleiding vormen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn dat in verband staat met vluchtelingschap of subsidiaire beschermingsstatus [4] .
9.2
In het nader gehoor verklaart eiser dat hij geen moslim is, maar christen. Ook legt eiser uit welke problemen hij heeft ondervonden door het zijn van christen. Hij heeft verklaard over problemen met zijn familie, op school, moslims die niets met christenen te maken willen hebben en niets aan hen verkopen.
9.3
Hoewel eiser niet letterlijk heeft verklaard dat het zijn van christen de directe aanleiding is geweest om te vluchten, is uit de verklaringen van eiser af te leiden dat hij in Gambia problemen heeft ondervonden omdat hij christen is. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de door eiser omschreven problemen vanwege zijn christelijke geloof door de minister als afzonderlijk relevant element vastgesteld en beoordeeld had moeten worden. De minister heeft de problemen als christen ten onrechte uitsluitend als problemen met de familie gezien en beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft in het besluit niet alle relevante elementen vastgesteld en beoordeeld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 15 mei 2025;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.25337.
2.Nader gehoor pagina 12 en 13.
3.C2.3.2.6 Vreemdelingencirculaire
4.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815.