Overwegingen
1. De voorzieningenrechter maakt gebruik van haar bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen en motiveert dit als volgt.
2. Verzoeker heeft verklaard dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat hij in Duitsland door medebewoners in de opvang gediscrimineerd en beledigd is. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij ernstige fysieke klachten en psychische problemen heeft en dat hij in de twee jaar dat hij in Duitsland verbleef de noodzakelijke medische zorg niet heeft verkregen, omdat hij al die tijd in afwachting is geweest van een juiste ‘zorgkaart’, die hij nodig had om aanspraak te kunnen maken op die zorg. In Nederland krijgt verzoeker wel de zorg die hij nodig acht. Verzoeker is in Nederland verwezen naar een specialist (uroloog) en staat op een wachtlijst voor een operatie. Verzoeker heeft ter zitting verklaard sterke pijnklachten te hebben en dat een Nederlandse arts tegen hem heeft gezegd dat hij het onbegrijpelijk vindt dat verzoeker in Duitsland geen medische zorg in verband met deze pijnklachten heeft ontvangen, omdat de nu aangeboden ingreep veel eerder had moeten plaatsvinden. Verzoeker heeft om zijn medische conditie te onderbouwen een uitdraai uit zijn medische dossier overgelegd. Op vragen van de rechtbank heeft verzoeker ook verklaard behandeld te worden door een psychiater, dat hij reeds meerdere gesprekken heeft gevoerd en dat hij medicatie voorgeschreven heeft gekregen in verband met slaapproblemen. Verzoeker heeft ook op vragen van de rechtbank aangegeven dat hij geen stukken van de psychiater heeft ontvangen, waaruit een mogelijke diagnose, behandeling en/of behandelplan blijkt. De behandeling is op dit moment onderbroken, omdat verzoeker is overgeplaatst naar een andere opvanglocatie. In de opvanglocatie waar verzoeker eerder verbleef is hij, naar zijn zeggen vanwege zijn geaardheid, door drie mannen mishandeld, waarna hij onmiddellijk op eigen verzoek is overgeplaatst naar een andere locatie, waar verzoeker zich inmiddels veilig voelt. In het patiëntenjournaal dat verzoeker heeft overgelegd is vermeld dat deze mishandeling op 14 augustus 2025 heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft aangifte van deze mishandeling gedaan.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de argumenten van verzoeker, dat hij in Duitsland geen toegang heeft gehad tot noodzakelijke zorg en dat de enkele overdracht aan Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid, op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting onvoldoende kunnen worden onderzocht en beoordeeld. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat ook indien aannemelijk zou zijn dat verzoeker in Nederland méér en andere zorg zou ontvangen dan hij in Duitsland heeft verkregen, dit niet zonder meer betekent dat Duitsland niet in overeenstemming met de Opvangrichtlijn heeft gehandeld. Indien dit wel zo zou zijn, is ook niet zonder meer duidelijk dat dit een indicatie is voor een risico op herhaling na de overdracht waardoor de overdracht zou moeten worden verboden op grond van artikel 4 Handvest of dat verweerder deze omstandigheid moet betrekken bij zijn beslissing om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat Duitsland voldoet aan zijn Unierechtelijke verplichtingen en het aan verzoeker is om bij de Duitse autoriteiten te klagen indien dit na overdracht niet zo zou zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker een kwetsbare indruk ter zitting heeft gemaakt waarbij de voorzieningenrechter, zoals ter zitting besproken niet duidt op ‘kwetsbaarheid als bedoeld in Tarakhel’. De voorzieningenrechter vraagt zich echter af of sprake is van ondergane trauma’s en/of psychische problematiek, waardoor verzoeker mogelijk niet of minder in staat is (geweest) om medische en/of andere hulp te vragen. Het beroep op het arrest C.K. kan op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting ook niet grondig genoeg worden beoordeeld.
4. Het verbod van refoulement is absoluut. Dit betekent dat de rechter zo nodig nader onderzoek moet doen om te kunnen beoordelen of het overdrachtsbesluit kan worden vastgesteld en kan worden uitgevoerd of dat artikel 4 van het Handvest hieraan in de weg staat. Gelet op de verplichtingen die de rechter zelf heeft om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen en de naleving van het refoulementverbod te waarborgen, kan de voorzieningenrechter dan ook thans niet volstaan met het nagaan of verzoeker zijn bezwaren tegen de overdracht voldoende heeft onderbouwd. Dat verzoeker zijn beroepsgronden zo goed mogelijk moet onderbouwen doet namelijk niet af aan de omvang van de verplichtingen die zowel verweerder als de voorzieningenrechter/rechtbank hebben om te onderzoeken of de overdracht tot een schending van artikel 4 van het Handvest leidt. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het deugdelijk onderbouwen van de gezondheidssituatie in een Dublinprocedure moeilijk is omdat de duur van de procedure doorgaans relatief gering is en het voor een verzoeker in dit korte tijdsbestek nagenoeg onmogelijk is om reeds zodanig toegang beschikbaar is tot medische en andere zorg te hebben gehad dat adequate informatie over een mogelijke diagnose, een mogelijke behandeling en de effecten hiervan op de gezondheidssituatie en de gevolgen van de overdracht op deze gezondheid. De voorzieningenrechter overweegt dat om uitspraak te kunnen doen op het beroep, een refoulementrisico moet kunnen worden uitgesloten en het treffen van een voorlopige voorziening de mogelijkheid biedt om nader onderzoek te kunnen (laten) doen. De voorzieningenrechter voegt hieraan toe dat in deze fase van de procedure niet kan worden vastgesteld dat de overdracht aan Duitsland moet worden verboden, maar dat er dus wel aanleiding bestaat om dit nader te onderzoeken.
5. Omdat de medische en psychische omstandigheden van verzoeker in de onderhavige procedure relevant zijn om een volledige en ex nunc beoordeling te maken van de weerslag van de overdracht op de gezondheid van verzoeker en om na te gaan of de overdracht moet worden verboden omdat verzoeker na overdracht een reëel en voorzienbaar risico loopt om onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg te hebben, acht de voorzieningenrechter het dan ook noodzakelijk om nadere informatie te verkrijgen. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan verzoeker uitgelegd dat er geen (eind)uitspraak kan worden gedaan als onvoldoende duidelijk is wat de medische en psychische conditie van verzoeker is en dat verzoeker daarom in de gelegenheid wordt gesteld om zijn gezondheidstoestand en de behandeling(en) die hij hiervoor thans ondergaat nader te onderbouwen met documenten. De voorzieningenrechter heeft hierbij uitgesproken dat verzoeker door toewijzing van de voorziening in de gelegenheid zal zijn om de, naar alle waarschijnlijkheid reeds geplande, ingreep te ondergaan maar dat dit niet zonder meer betekent dat de feitelijke overdracht op een later moment niet meer kan plaatsvinden.
6. De voorzieningenrechter stelt verzoeker in de gelegenheid om informatie van de behandeld psychiater en informatie van de specialist over de te verrichten ingreep en het herstel hiervan en andere beschikbare informatie over de medische en psychische gezondheidssituatie van verzoeker te overleggen. De voorzieningenrechter verzoekt ook om een kopie van de aangifte die verzoeker in verband met mishandeling in het AZC heeft gedaan te overleggen en om na te gaan of er reeds een vervolgingsbeslissing is genomen. De voorzieningenrechter verzoekt verzoeker en zijn gemachtigde tevens om medische informatie die in Duitsland voorhanden is op te vragen en te overleggen. De voorzieningenrechter zal een termijn van acht weken bepalen om verzoeker in de gelegenheid te stellen de door de voorzieningenrechter gevraagde informatie te verzamelen en aan het dossier toe te voegen.
7. Het beroep zal worden aangehouden tot een nader te bepalen moment. Daarbij is ter zitting aan partijen aangegeven dat de verdere voortgang van de procedure zal worden afgestemd met partijen en in onderling overleg zal geschieden. Iedere verdere beslissing, ook over de proceskosten, zal worden aangehouden.
8. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en:
- bepaalt dat verzoeker niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat is beslist op het beroep;
- stelt verzoeker gedurende acht weken na de bekendmaking van deze uitspraak in de gelegenheid om nadere informatie, zoals toegelicht in rechtsoverweging 6, te overleggen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Mellendijk-Leinders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 november 2025.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.