Beoordeling door de rechtbank
10. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft verklaard over haar eerste echtgenoot ( [naam 1] ), de vader van haar kinderen. Eiseres heeft verklaard dat deze man in Nederland woont. Ze zijn in 2015 getrouwd en in 2017 zijn ze uit elkaar gegaan. Officieel zijn ze niet gescheiden, maar de relatie is voorbij. Volgens eiseres is de man vanwege zijn seksuele geaardheid uit Afghanistan gevlucht. Aan hem is een Nederlandse verblijfsvergunning verleend. In 2019 is eiseres in Afghanistan hertrouwd. Deze man ( [naam 3] ) werkte bij de veiligheidsdienst. Eiseres heeft verklaard dat haar tweede echtgenoot door de Taliban is vermoord. Daarna was haar leven ook in gevaar en is zij met haar zoon uit Afghanistan gevlucht.
11. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij het gestelde tweede huwelijk en de daaruit gevolgde problemen met de Taliban ongeloofwaardig acht. Eiseres heeft haar verklaringen namelijk niet onderbouwd met documenten en volgens verweerder vormen de verklaringen op zichzelf geen samenhangend en aannemelijk geheel.
12. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de afwijzing van de asielaanvraag als ‘kennelijk ongegrond’ een verschrijving is geweest. Dat had ‘ongegrond’ moeten zijn.
13. Eiseres richt zich in haar beroep niet tegen het ongeloofwaardig geachte asielrelaas over haar tweede huwelijk en de daaruit voortvloeiende problemen met de Taliban. Eiseres stelt in haar beroepsgronden de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan aan de orde. Verweerder heeft in het licht daarvan volgens eiseres een verkeerde bewijsmaatstaf gehanteerd voor de beoordeling of gesproken kan worden van vervolging wegens het behoren tot een sociale groep. Eiseres stelt verder dat zij als vrouw vanwege de algemene situatie bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres doet ook een beroep op de samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.
14. Voor het juridisch kader wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.
15. Niet in geschil is dat eiseres een vrouw is met de Afghaanse nationaliteit. In geschil is of verweerder bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiseres heeft mogen verlangen dat zij aannemelijk maakt dat zij vervolging heeft te vrezen, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Met andere woorden: mocht verweerder vasthouden aan het individualiseringsvereiste dat op grond van zijn landgebonden beleid geldt voor Afghaanse vrouwen?
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat iedere Afghaanse vrouw, ongeacht haar individuele omstandigheden, vervolging heeft te vrezen, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Zij verwijst naar de risico’s die zijn beschreven in het arrest AH en FN (hierna: het arrest). Verweerder leest het arrest anders dan eiseres. Verweerder houdt vast aan het individualiseringsvereiste, zoals ook weergegeven in het landgebonden beleid voor Afghanistan.
17. De rechtbank stelt vast dat in het arrest een antwoord wordt gegeven op de prejudiciële vraag (punt 30 van het arrest), of het samenstel van maatregelen die in een staat worden genomen, bevorderd of gedoogd door een actor die feitelijk de regeringsmacht heeft, voldoende ernstig is om een vrouw zodanig te treffen dat het een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Concreet is daarbij ook de vraag gesteld of het voor de vluchtelingenstatus voldoende is dat een vrouw louter op grond van haar geslacht door deze maatregelen in het land van herkomst wordt getroffen of dat daarvoor haar individuele situatie moet worden onderzocht.
18. Punt 30 van het arrest bevat een opsomming van maatregelen, waarvan wordt aangenomendat die door de Taliban ten aanzien van vrouwen zijn vastgesteld, namelijk:
dat vrouwen de participatie in politieke ambten en politieke besluitvormingsprocessen wordt geweigerd,
dat hun geen juridische middelen ter beschikking worden gesteld om bescherming te kunnen krijgen tegen genderspecifiek en huiselijk geweld,
dat zij in het algemeen zijn blootgesteld aan het risico op een gedwongen huwelijk, hoewel deze praktijk wordt verboden door de actor die feitelijk de regeringsmacht heeft, maar aan de vrouwen geen effectieve bescherming daartegen wordt geboden en dergelijke huwelijken soms ook worden gesloten met deelneming van personen die feitelijk openbaar gezag uitoefenen en weten dat het een gedwongen huwelijk betreft,
dat zij geen beroepsactiviteit mogen uitoefenen of dat slechts in beperkte mate, voornamelijk van huis uit, mogen doen,
dat voor hen de toegang tot gezondheidsdiensten wordt bemoeilijkt,
dat hun de toegang tot onderwijs – geheel of in hoge mate (bijvoorbeeld door aan meisjes uitsluitend basisonderwijs toe te staan) – wordt geweigerd,
dat zij niet in het openbaar mogen verschijnen of zich niet mogen voortbewegen zonder begeleiding van een man (met wie zij een familieband hebben), in ieder geval indien een bepaalde afstand tot de woonplaats wordt overschreden,
dat zij hun lichaam in het openbaar volledig moeten bedekken en hun gelaat moeten verhullen, en
dat zij geen sport mogen beoefenen.
19. Onder punt 42 is overwogen dat het buiten kijf staat dat, ongeacht de aard van de onderdrukking waaraan Afghaanse vrouwen worden blootgesteld indien zij zich niet voegen naar de voorschriften van het Talibanregime – die op zichzelf daden van vervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn kunnen vormen – de aangehaalde discriminerende maatregelen de vereiste mate van ernst bereiken wegens zowel de intensiteit en het gecumuleerde effect ervan als de gevolgen ervan voor de betrokken vrouw.
20. Het HvJEU heeft in het arrest (punt 48) als uitgangspunt genomen dat artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn de bevoegde nationale autoriteit in beginsel verplicht tot een individuele beoordeling.
21. Onder punt 56 van het arrest wordt vervolgens verwezen naar het rapport ‘Country guidance: Afghanistan’ van EASOvan januari 2023 en naar een verklaring van de UNHCRvan 25 mei 2023. Beide instanties concluderen dat er vanwege de hiervoor opgesomde maatregelen voor Afghaanse vrouwen en meisjes een gegronde vrees bestaat voor daden van vervolging respectievelijk een vermoeden van erkenning van de vluchtelingenstatus uitsluitend op grond van hun geslacht.
22. Op basis van die informatie heeft het HvJEU (punt 57) geconcludeerd dat het momenteel niet nodig is om aan de hand van de individuele omstandigheden te onderzoeken of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om aan daden van vervolging te worden onderworpen bij terugkeer, als de Afghaanse nationaliteit en het vrouwelijk geslacht vaststaan. Onder punt 58 heeft het HvJEU geoordeeld dat artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn zo moet worden uitgelegd dat het aan de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de omstandigheden in het land van herkomst van een vrouw op het moment dat haar verzoek om internationale bescherming wordt beoordeeld, niet de verplichting oplegt om in het kader van de individuele beoordeling ook andere elementen dan haar geslacht en haar nationaliteit in aanmerking te nemen die kenmerkend zijn voor haar persoonlijke situatie.
23. Verweerder heeft uit punt 57 en 58 van het arrest geconcludeerd dat op hem weliswaar niet de plicht rust om een individuele beoordeling te maken, maar dat het ook niet verboden is. De rechtbank leest het arrest anders: op verweerder rust wel de (beginsel)plicht om een individuele beoordeling te maken, maar het samenstel aan maatregelen onder het huidige regime in Afghanistan, zoals weergegeven in punt 30 van het arrest, maakt dat verweerder momenteel binnen die beoordeling kan volstaan met het vaststellen van de Afghaanse nationaliteit en het vrouwelijk geslacht. Immers, alle vrouwen en meisjes met de Afghaanse nationaliteit staan bloot aan het samenstel aan maatregelen zoals hierboven opgesomd. Dat samenstel van maatregelen is aan te merken als daden van vervolging. Reeds daarom moet geconcludeerd worden dat zij als sociale groep gegronde vrees hebben voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan.
24. Niet is gebleken dat de omstandigheden in Afghanistan in betekenende mate zijn veranderd in vergelijking met de situatie ten tijde van het arrest AH en FN. De rechtbank is daarom van oordeel dat alle Afghaanse vrouwen en meisjes die in Nederland asiel aanvragen, aanspraak maken op toelating als vluchteling. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat het hem ook na het arrest nog steeds vrij staat om een individuele beoordeling te maken die verder gaat dan het vaststellen van de nationaliteit en het geslacht. Niet valt in te zien waarom eiseres in haar situatie – naast haar Afghaanse nationaliteit en haar vrouwelijk geslacht – meer feiten en omstandigheden naar voren moet brengen om aannemelijk te maken dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
25. De beroepsgrond slaagt.
26. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als (kennelijk) ongegrond.
27. Eiseres heeft in haar laatste brief van 30 juni 2025 aandacht gevraagd voor de gevolgen van de Talibanmaatregelen voor haar minderjarige dochter [minderjarige 2] . Eiseres merkt op dat [minderjarige 2] bij terugkeer naar Afghanistan in ieder geval te maken zal krijgen met de maatregelen en het cumulatieve effect daarvan, aangezien zij nog niet naar school is geweest. De rechtbank merkt daarover nog het volgende op. Wat geldt voor eiseres, geldt ook voor haar dochter. Op basis van de voorgaande overwegingen heeft ook haar dochter een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan.