ECLI:NL:RBDHA:2025:22286

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.54790
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, die niet in persoon verscheen, had beroep ingesteld tegen het besluit van 7 november 2025, waarin de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 had opgelegd. De minister heeft de maatregel op 14 november 2025 opgeheven, waardoor de rechtbank zich moest buigen over de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode dat de maatregel van bewaring van kracht was.

De rechtbank overwoog dat de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was. Eiser voerde aan dat hij onvoldoende was voorgelicht over de gronden van de maatregel, omdat hij enkel een mededeling in het Nederlands had ontvangen en geen informatie in het Farsi. De rechtbank oordeelde echter dat de minister zijn informatieplicht niet had geschonden, aangezien eiser via een tolk uitleg had gekregen en rechtsbijstand had ontvangen.

De rechtbank concludeerde dat de zware gronden voor de maatregel van bewaring, zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan de overdracht, voldoende waren om de maatregel te rechtvaardigen. Eiser's beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven, in aanwezigheid van griffier B. Göbel, en is openbaar gemaakt op 26 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54790

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 14 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Heeft de minister eiser voldoende voorgelicht over de maatregel van bewaring?
2. Eiser voert aan dat hij niet dan wel onvoldoende is voorgelicht over wat er in de maatregel van bewaring over de gronden is vermeld. Hij merkt daarbij op dat hij slechts een A4-vel met een mededeling in het Nederlands heeft ontvangen en niet in de taal Farsi.
2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat aan eiser geen informatiefolder is uitgereikt, maar dat dit geen schending oplevert. Eiser heeft verklaard dat hij niet voldoende kan lezen en schrijven in de talen Dari en Farsi. De overhandiging van een folder in die taal had dus geen nuttig doel gediend. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser via een tolk uitleg heeft gekregen over de inhoud van de maatregel van bewaring. Eiser heeft ook rechtsbijstand ontvangen, waarna hij in beroep is gegaan tegen de maatregel van bewaring. De minister heeft daarom de informatieplicht niet geschonden. Eiser had immers geen kennis kunnen nemen van de informatiefolder in de taal Farsi. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande met zich dat eiser niet in zijn belangen is geschaad nu hij geen informatiefolder heeft gekregen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser betwist de zware gronden 3e en 3k. Hij voert aan dat hij geen onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt, hetgeen ook niet blijkt uit de ter beschikking staande gegevens. Verder voert hij aan dat aan hem geen overdrachtsbesluit is uitgereikt.
De minister heeft de zware grond 3e op de zitting laten vallen.
3.2.
Eiser heeft de overige zware en lichte gronden niet betwist. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat voor het opleggen van zware gronden in de maatregel de minister kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [1] De zware grond 3a en de lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser heeft aangevoerd over de zware gronden 3e en 3k behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij naar België zou zijn overgedragen in plaats van naar Duitsland, omdat op het M113-formulier de locatie Roosendaal staat vermeld, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat de vermelding van Roosendaal op het M113-formulier enkel is te verklaren doordat de ambtenaar het formulier aldaar heeft opgemaakt en ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van de minister dat de overdracht daadwerkelijk naar Duitsland heeft plaatsgevonden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).