In deze zaak hebben eiseressen op 27 december 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 13 november 2024 afgewezen. Eiseressen hebben op 22 november 2024 bezwaar aangetekend tegen deze afwijzing, maar de minister heeft tot op heden geen beslissing op het bezwaar genomen. Op 14 augustus 2025 hebben eiseressen de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar. Vervolgens hebben zij op 21 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld kan worden met een besluit. Eiseressen hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht, wat door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan en vastgesteld dat de beslistermijn om op het bezwaar te beslissen is verstreken. Eiseressen hebben de minister in gebreke gesteld en meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld, waardoor het beroep kennelijk gegrond is.
De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseressen, vastgesteld op € 437,50. De uitspraak is openbaar gemaakt en eiseressen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak.