ECLI:NL:RBDHA:2025:22262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
C/09/691522 / FA RK 25-6924
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en afwijzing vervangende toestemming schoolinschrijving

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om nakoming van een zorgregeling vastgesteld in 2021, waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en de moeder de kinderen in oneven weekenden ontvangt.

De moeder kwam de zorgregeling niet na; het kind verbleef sinds augustus 2025 bij haar zonder contact met de vader. De vader stelde dat de moeder zijn opvoeding ondermijnt. De moeder wilde een opbouwende zorgregeling onder begeleiding van het Jeugdteam en vroeg vervangende toestemming voor uitschrijving en inschrijving van het kind op een andere school.

De rechtbank oordeelde dat de zorgregeling moet worden nagekomen omdat geen feiten zijn die afwijken van het belang van het kind. Het verzoek tot dwangsom werd afgewezen vanwege de ondertoezichtstelling die reeds is uitgesproken. Het verzoek tot vervangende toestemming voor schoolwissel werd afgewezen omdat het kind binnen afzienbare tijd naar de vader terugkeert.

De moeder moet vanaf 17 december 2025 meewerken aan de zorgregeling onder begeleiding van hulpverlening om het contact tussen vader en kind te herstellen.

Uitkomst: De moeder moet vanaf 17 december 2025 meewerken aan nakoming van de zorgregeling, het verzoek tot dwangsom en vervangende toestemming voor schoolwissel worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6924
Zaaknummer: C/09/691522
Datum beschikking: 19 november 2025

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 9 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 16 september 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 21 oktober 2025 van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. De minderjarige [minderjarige 2] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 22 oktober 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van de kinderen is op de zitting mondeling uitspraak gedaan. Het verzoek is na de zitting afgesplitst en geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/693437 JE RK 25-1802. De schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak is vastgesteld op 29 oktober 2025.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- te bepalen dat de moeder de zorgregeling conform de beschikking van 4 november 2021 nakomt, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat zij de regeling niet nakomt, althans en in ieder geval een dwangsom door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
  • te bepalen dat er een zorgregeling zal zijn tussen de vader en [minderjarige 1] , welke opbouwend is en onder regie van het Jeugdteam;
  • de moeder vervangende toestemming te verlenen tot het uitschrijven van [minderjarige 1] van de huidige school en te bepalen dat deze toestemming in de plaats treedt van de van de vader benodigde toestemming;
  • de moeder vervangende toestemming te verlenen tot het inschrijven van [minderjarige 1] op een zijn school van voorkeur en te bepalen dat deze toestemming in de plaats treedt van de van de vader benodigde toestemming;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2021 is – voor zover hier relevant –:
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
- een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld die als volgt luidt:
“de kinderen zullen in de oneven weekenden bij hun moeder verblijven, waarbij de vader de kinderen naar de moeder brengt op de vrijdag om 19:00 uur. De overige afspraken betreffende de verdeling van feestdagen en vakanties zoals opgenomen in het ouderschapsplan blijven gehandhaafd.”

Beoordeling

Nakoming zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het vijfde lid van deze wetsbepaling kan de rechtbank op verzoek, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Inhoudelijke beoordeling
Bij beschikking van 4 november 2021 is de hiervoor beschreven zorgregeling vastgesteld, die op dit moment niet wordt nagekomen door de moeder. [minderjarige 1] verblijft sinds augustus 2025 bij de moeder en heeft momenteel geen contact met de vader. De vader stelt dat moeder zijn opvoeding ondermijnt en dat dit ertoe heeft geleid dat [minderjarige 1] bij hem is weggelopen. In plaats van medewerking te verlenen aan het nakomen van de zorgregeling, heeft de moeder opnieuw een traject, zoals Ouderschap Blijft of Kinderen uit de Knel, voorgesteld. De vader wil geen tijd en energie steken in een dergelijk traject, omdat de moeder zich volgens hem in het verleden slechts zeer beperkt heeft ingezet en de gemaakte afspraken niet door haar worden nagekomen. Ook vindt de vader het kwalijk dat de moeder enkel in het bijzijn van [minderjarige 1] met hem in gesprek wil. Verder heeft de vader aangevoerd dat de Raad en Jeugdbescherming west in het kader van de vorige ondertoezichtstelling hebben geadviseerd dat het van groot belang is dat de zorgregeling wordt nageleefd, zodat rust en stabiliteit wordt gecreëerd. De dwangsom is volgens de vader noodzakelijk, omdat er zonder de betrokkenheid van Jeugdbescherming west geen stimulans is voor de moeder om de zorgregeling na te komen.
De moeder wil dat een opbouwende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] wordt vastgesteld. Zij maakt zich zorgen om de opvoedsituatie bij de vader. Het jeugdteam is reeds ingeschakeld en ook deze adviseren om het contact met de vader op te bouwen met begeleiding. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat zij alleen samen met [minderjarige 1] in gesprek met de vader wil, omdat [minderjarige 1] dit anders niet durft. Een dwangsom heeft volgens de moeder geen toegevoegde waarde en zet alles onnodig onder druk.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling nagekomen moet worden. Slechts als sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat de zorgregeling niet meer in het belang van de kinderen wordt geacht, kan de rechtbank afwijken van een eerder genomen beslissing. De rechtbank oordeelt dat van dergelijke feiten en omstandigheden niet is gebleken. Er zijn weliswaar zorgen over de verstoorde relatie tussen de vader en [minderjarige 1] , maar er is ook hulpverlening betrokken om deze relatie te herstellen. Verder is inmiddels een ondertoezichtstelling uitgesproken, zodat ook in dat kader bekeken kan worden wat er nodig is om de zorgen weg te nemen. Uit het gesprek met [minderjarige 1] is gebleken dat hij zelf ook graag weer contact met zijn vader zou willen, maar dat hij dat op dit moment nog spannend vindt. [minderjarige 1] mist zijn vrienden in [plaats] en wil daar ook naar school blijven gaan. Gelet op het voorgaande is het in het belang van [minderjarige 1] dat de zorgregeling wordt hervat. Het is dan ook positief dat er al hulpverlening betrokken is om [minderjarige 1] en de vader bij contactherstel te gaan begeleiden. Er hebben nog geen gesprekken tussen de vader en [minderjarige 1] plaatsgevonden, maar de hoop is dat dit binnenkort zal starten.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot nakoming van de zorgregeling toewijzen. De rechtbank acht het van belang dat binnen een termijn van zes weken wordt toegewerkt naar de zorgregeling, zodat het vertrouwen tussen de ouders kan groeien en [minderjarige 1] kan wennen aan de hernieuwde situatie. De rechtbank zal daarom een ingangsdatum van acht weken na de zittingsdatum verbinden aan de verplichting aan de moeder om mee te werken aan nakoming van de zorgregeling. Binnen die periode moet onder begeleiding van hulpverlening worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . Indien het niet lukt om binnen die zes weken het contact tussen de vader en [minderjarige 1] te herstellen, zodat [minderjarige 1] weer bij zijn vader kan wonen, vraagt de rechtbank partijen om de rechtbank hierover te berichten. In dat geval is de benoeming van een bijzondere curator mogelijk aangewezen, zoals op de zitting kort is aangestipt. Een bijzondere curator kan in gesprek gaan met [minderjarige 1] om te achterhalen wat zijn wensen en behoeften zijn en te onderzoeken wat er nodig is voor contactherstel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden. Zij gaat ervan uit dat de moeder de zorgregeling zal nakomen. Bovendien heeft de rechtbank op de zitting een ondertoezichtstelling uitgesproken, die – gelet op de schriftelijke aanwijzingen die de jeugdbeschermer kan geven – voor de moeder als stok achter de deur fungeert. Ten aanzien van de verzochte dwangsom zal de rechtbank het verzoek van de vader dan ook afwijzen.
Vervangende toestemming
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Aangezien [minderjarige 1] al sinds augustus bij de moeder verblijft, heeft zij verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving op een middelbare school bij haar in de buurt. Nu, zoals in het voorgaande is gebleken, de zorgregeling zo snel mogelijk zal worden hervat, zal [minderjarige 1] binnen een afzienbare termijn terugkeren naar de vader. Er is daarom geen aanleiding om van school te wisselen. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de moeder – nadat onder begeleiding van hulpverlening contactherstel tussen de vader en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] , is bewerkstelligd – met ingang van 17 december 2025 moet meewerken aan nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2021, waarbij [minderjarige 1] bij de vader woont en in de oneven weekenden bij de moeder verblijft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2025.