ECLI:NL:RBDHA:2025:22206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.54797
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke context

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Georgische nationaliteit, had op 7 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel van bewaring op 14 november 2025 opgeheven, wat de rechtbank noopte om te beoordelen of de bewaring onrechtmatig was geweest voor de opheffing.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende onderzoek heeft verricht naar het verblijfsrecht van eiser in Slowakije voordat de maatregel van bewaring werd opgelegd. Eiser had pas tijdens het vertrekgesprek op 13 november 2025 documenten overgelegd die zijn verblijfsrecht konden onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd, omdat de minister op basis van de beschikbare informatie en documenten op dat moment correct had gehandeld. De rechtbank heeft de beroepsgrond van eiser verworpen en geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was.

De rechtbank heeft ook ambtshalve getoetst of de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Dit bleek niet het geval te zijn, en daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 24 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54797
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 14 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Rechtmatigheid van de maatregel
3. Eiser stelt dat hij op een onjuiste grond in bewaring is gesteld. Eiser heeft meteen aangegeven dat hij verblijfsrecht in Slowakije had. De gemachtigde van eiser heeft inmiddels bevestiging van de autoriteiten van Slowakije ontvangen dat eiser daar verblijfsrecht heeft. Inmiddels zijn het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken en is de maatregel van bewaring opgeheven. De minister heeft hiernaar vóór de inbewaringstelling onvoldoende onderzoek verricht en daarmee steken laten vallen. Hierdoor is de maatregel van meet af aan onrechtmatig.
4. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Eiser is met de op 7 november 2025 beschikbare informatie en documenten op de juiste grond in bewaring gesteld. Uit de motivering van de maatregel van bewaring volgt dat de minister wel degelijk, voorafgaand aan het op 8 mei 2025 aan eiser opgelegde terugkeerbesluit, onderzoek heeft verricht naar het toen gestelde verblijfsrecht van eiser in Slowakije. Uit dat onderzoek, waarbij verschillende registratiesystemen zijn geraadpleegd, is dat verblijfsrecht niet gebleken. Eiser is tijdens het vertrekgesprek van 13 november 2025 pas met documenten gekomen waarmee hij zijn verblijfsrecht in Slowakije kon onderbouwen. De minister heeft hierop meteen gehandeld en de documenten laten onderzoeken. Daaruit bleek dat eiser verblijfsrecht in Slowakije heeft. De minister heeft daarop het terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken, de maatregel van bewaring opgeheven en een vlucht voor eiser naar Slowakije geboekt. De minister heeft dus adequaat gehandeld met de beschikbare informatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de zware grond onder 3e dat de door de minister genoemde aliassen lang geleden door eiser zijn opgegeven. Op dit moment is de identiteit van eiser bekend en dit heeft hij ook aangetoond met documenten. Ten aanzien van de zware grond onder 3g stelt eiser dat hij altijd heeft aangegeven dat hij naar Slowakije moest worden uitgezet in plaats van Georgië. De minister heeft Slowakije nooit als mogelijkheid gezien en heeft zich enkel gefocust op uitzetting naar Georgië.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3e en 3g aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft gebruik gemaakt van dertien verschillende aliassen. Dat deze aliassen lang geleden zouden zijn opgegeven en dat eisers identiteit inmiddels bekend is, doet hier niet aan af. Verder is eiser in februari 2025 aangehouden en toen heeft hij valse documenten overgelegd. Eiser heeft hierover verklaard dat hij dat paspoort op straat had gevonden en dat heeft laten zien bij zijn aanhouding. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
8. De twee zware gronden onder 3e en 3g zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.