Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:22149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
AWB 25/18528
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 Wet COaArt. 7 Rva 2005Art. 44 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker niet-ontvankelijk

Verzoeker, houder van een asielvergunning voor bepaalde tijd, werd geïnformeerd dat zijn opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 zouden worden beëindigd omdat passende huisvesting buiten de opvang was gerealiseerd. Verzoeker werd vervolgens uitgeschreven en opvang beëindigd. Hij maakte bezwaar tegen deze feitelijke handeling en verzocht om een voorlopige voorziening om terugplaatsing in opvang.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanzegging van beëindiging geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, maar een mededeling van rechtsgevolgen voortvloeiend uit het verblijfsvergunningbesluit. De beëindiging van verstrekkingen volgt van rechtswege en de periode waarin verzoeker nog verstrekkingen ontving, was buitenwettelijk.

Omdat het bezwaar niet gericht is tegen een appellabel besluit en er geen connexiteit is tussen bezwaar en verzoek, wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen besluit in de zin van de Awb is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/18528

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. van Els – van den Berg).

Inleiding

1. Verzoeker heeft de Pakistaanse nationaliteit en aan hem is een asielvergunning voor bepaalde tijd verleend welke tot 6 mei 2029 geldig is. Op 29 augustus 2015 is verzoeker in het [locatie] medegedeeld dat opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) zullen worden beëindigd omdat aan verzoeker een verblijfsstatus is toegekend en verzoeker daarom definitief bij zijn (toenmalige) partner zou worden gehuisvest. Verzoeker is daarbij een termijn verleend tot 9 september 2025 om datgene wat in verband met deze huisvesting noodzakelijk was te regelen. Vervolgens is verzoeker op 10 september 2025 door verweerder uitgeschreven en zijn opvang en verstrekkingen aan verzoeker beëindigd.
1.1.
Verzoeker kan zich niet met deze beëindiging van opvang en verstrekkingen verenigen en heeft tegen deze feitelijke handeling op 19 september 2025 bezwaar gemaakt op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker kan – anders dan verweerder meent – niet bij zijn partner gaan wonen nu deze de relatie met eiser (inmiddels) heeft verbroken. Verzoeker is feitelijk dakloos geraakt en verzoekt daarom bij wijze van voorlopige voorziening om terugplaatsing in een [locatie] .
1.2.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is, omdat het bezwaar van verzoeker niet gericht is tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Overwegingen

Is het bezwaar gericht tegen een appellabel besluit?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de aanzegging van beëindiging van opvang en verstrekkingen op grond van de Rva 2005 niet in een beëindigingsbesluit opvang heeft neergelegd. Dit betekent dat op grond van vaste rechtspraak [1] dat de uitschrijving van verzoeker per 10 september 2025 niet op rechtsgevolg is gericht. Een besluit, waarbij aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend heeft, gelet op artikel 44, eerste lid, van de Vw, de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege tot gevolg. Dat rechtsgevolg treedt, gelet op die bepaling, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva 2005, in op de dag waarop naar het oordeel van verweerder passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. Met de aanzegging heeft verweerder aan verzoeker uitsluitend mededeling gedaan van de, uit het besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 5 augustus 2025 voortvloeiende, van rechtswege ingetreden of intredende gevolgen. Dat verweerder aan verzoeker heeft meegedeeld dat huisvesting bij zijn (toenmalige) partner door verweerder en de gemeente [plaats] passend wordt geacht, brengt niet mee dat nieuwe rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen. Met het beschikbaar zijn van die, naar het oordeel van verweerder passende, huisvesting op de datum van de vergunningverlening, namelijk 5 augustus 2025, is voor verzoeker de aanspraak op verstrekkingen van rechtswege geëindigd.
4. Voor zover de vreemdeling in de periode van 5 augustus 2025 tot 10 september 2025 verstrekkingen heeft gehad, moeten die verstrekkingen als buitenwettelijk en onverplicht worden beschouwd. Verweerder was daarom niet gehouden de beëindiging daarvan in een besluit neer te leggen. Nu verweerder in hiervoor genoemde periode geen verantwoordelijkheid meer had voor de opvang en bemiddeling van verzoeker naar passende huisvesting, komt aan dit enkele tijdsverloop geen beslissende betekenis toe. Dit geldt, anders dan verzoeker betoogt, ook voor de veranderde omstandigheid dat de relatie van verzoeker in september 2025 feitelijk is verbroken. In die tijd viel de vreemdeling voor de bemiddeling naar huisvesting al onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit leidt tot de slotsom dat de aanzegging geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de aanzegging evenmin een rechtens relevante handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa inhoudt. Voor zover de aanzegging over het verlaten van de centrale opvanglocatie gaat, strekt deze louter tot uitvoering van de onder 3. en 4. genoemde rechtsgevolgen. Daarom is de aanzegging in zoverre slechts een informatieve mededeling over de mogelijkheden van passende huisvesting na het verblijf in de centrale opvanglocatie. Voor zover de aanzegging moet worden opgevat als een aankondiging van een ontruimingsprocedure, heeft deze een civielrechtelijk karakter.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is er geen bezwaar waarmee het verzoek om voorlopige voorziening samenhangt. Nu deze connexiteit ontbreekt, zal het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier, op 23 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 28 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5528.