ECLI:NL:RBDHA:2025:22146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL24.41016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf A4/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen opleggen van inreisverbod wegens ontbreken bijzondere omstandigheden ongegrond verklaard

Eiseres, een Colombiaanse nationaliteit houdende vreemdeling, kreeg op 12 oktober 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Zij stelde beroep in tegen het inreisverbod, zonder bezwaar te maken tegen het terugkeerbesluit.

De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld nadat eiseres en haar gemachtigde hadden aangegeven niet ter zitting te verschijnen. De rechtbank beoordeelde of het inreisverbod terecht was opgelegd en of bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die tot een verkorting of intrekking van het verbod zouden moeten leiden.

Uit het proces-verbaal bleek dat eiseres de gelegenheid had gekregen haar zienswijze te geven, maar zij verklaarde geen bijzondere omstandigheden te hebben. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat eiseres geen nieuwe of bijzondere omstandigheden had aangevoerd.

Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €907,- wegens de late overlegging van het proces-verbaal en het verzoek van eiseres om vergoeding daarvan. De uitspraak is gedaan door rechter M.E.A. Braeken op 8 september 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond verklaard en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41016
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. Bij besluit van 12 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
3. Op 19 augustus 2025 heeft de minister het proces-verbaal (Model 110) van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AIVM) van 12 oktober 2024 overgelegd. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres op 21 augustus 2025 laten weten niet met eiseres ter zitting te zullen verschijnen en daarbij verzocht om proceskostenvergoeding. De minister heeft op 27 augustus 2025 op dit verzoek gereageerd en toestemming gegeven voor afdoening van de zaak buiten zitting. Gelet hierop heeft de rechtbank besloten geen nadere zitting te houden en de beroepen schriftelijk af te doen.

Beoordeling van de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de beroepen van eiseres tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft geen beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit aangevoerd. De rechtbank stelt daarom vast dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de minister het inreisverbod op goede gronden heeft opgelegd.
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
6. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Tijdens een politiecontrole op 11 oktober 2024 is eiseres staande gehouden. Er is toen vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland, het grondgebied
van de EU, EER en Zwitserland. De minister heeft daarom op 12 oktober 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Ook heeft de minister een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Volgens de minister heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om af te zien van oplegging van het inreisverbod of de duur van het inreisverbod te verkorten.
Het inreisverbod
7. Eiseres voert aan dat uit het dossier niet blijkt wat zij als zienswijze naar voren heeft gebracht, waardoor de rechtbank niet kan controleren welke bijzondere omstandigheden zij heeft aangevoerd. Volgens eiseres is het bestreden besluit daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
8. De rechtbank overweegt het volgende. De minister verkort de duur van het inreisverbod of laat een inreisverbod achterwege als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd (zie paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000).
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden aan eiseres een inreisverbod opgelegd. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan van het inreisverbod moet worden afgezien of het inreisverbod moet worden verkort. Uit het proces- verbaal van 12 oktober 2024 blijkt dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze over het inreisverbod te geven. Eiseres heeft verklaard dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten. Uit het genoemde proces-verbaal blijkt verder dat eiseres geen familie of andere relaties heeft in het Schengengebied en dat er geen medische of andere bezwaren zijn tegen haar terugkeer naar Colombia. Dat uit het dossier niet zou blijken wat eiseres als zienswijze naar voren heeft gebracht, zoals zij in haar beroepsgronden stelt, klopt dan ook niet. Ook in beroep heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Proceskostenvergoeding

10. Op 21 augustus 2025 heeft eiseres haar beroep aangevuld met het verzoek de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat volgens haar onduidelijk is waarom de minister het proces-verbaal van 12 oktober 2024 pas zo laat heeft overgelegd. Het beroep is namelijk op 21 oktober 2024 ingesteld, terwijl het proces-verbaal op 19 augustus 2025 in het dossier is gevoegd. Bij brief van 27 augustus 2025 heeft de minister laten weten zich niet te verzetten tegen dit verzoek. De rechtbank zal daarom het verzoek om proceskostenvergoeding toewijzen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
08 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: