ECLI:NL:RBDHA:2025:22051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/09/693090 / KG ZA 25-1013
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 a Rva 2005Art. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming opvangruimte wegens onterechte weigering passende woonruimte door asielzoekers

Twee asielzoekers met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbleven in een AZC en kregen een eenmalig passend woningaanbod in een gemeente. Zij weigerden dit aanbod, waarna het COA hen sommeerde de opvangruimte te verlaten.

De asielzoekers voerden aan dat het woningaanbod niet passend was vanwege de afstand tot werk en psychische problemen, alsmede communicatieproblemen tijdens het huisvestingsgesprek. De rechtbank oordeelde dat het COA terecht heeft geoordeeld dat het woningaanbod passend was, omdat de functie van de asielzoeker elders in de regio uitgeoefend kan worden en de psychische klachten onvoldoende waren onderbouwd. Ook de communicatie zonder tolk werd niet als benadeling gezien.

De rechtbank stelde vast dat de asielzoekers onrechtmatig in de opvang verbleven en veroordeelde hen tot ontruiming van de opvangruimte binnen drie dagen. Tevens werden zij hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. De belangenafweging leidde niet tot een ander oordeel, mede omdat de opvangruimte nodig is voor andere asielzoekers.

Uitkomst: De asielzoekers worden veroordeeld tot ontruiming van hun opvangruimte wegens onterechte weigering van passende woonruimte.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693090 / KG ZA 25-1013
Vonnis in kort geding van 21 november 2025
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERSte Den Haag,
eiser,
advocaat mr. N.A.G. Lelieveld te Den Haag,
tegen:

1.[gedaagde 1] te [woonplaats] ,

gedaagde,
advocaat mr. T. Bruinsma te Lemmer,

2.[gedaagde 2] te [woonplaats] ,

gedaagde,
advocaat mr. R.C. van den Berg te Tilburg.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘het COA’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna gezamenlijk ‘gedaagden.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 oktober 2025 met producties 1 tot en met 12;
- de op 7 november 2025 door mr. Van den Berg overgelegde producties (negen stuks);
- de op 7 november 2025 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[gedaagde 1] heeft de Soedanese nationaliteit en [gedaagde 2] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben enkele jaren samen in Oekraïne gewoond. Nadat daar de oorlog uitbrak zijn zij naar Nederland gevlucht. Zij hebben een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, arbeidsvrij, als bedoeld in artikel 8, onder c van de Vreemdelingenwet 2000. [gedaagde 2] heeft een (op de verblijfsvergunning van [gedaagde 1] ) afgeleide verblijfsvergunning. Zij verblijven in het AZC [plaats 1] . Op enig moment verbleven zij samen in ruimte [nummer 1] . Vanaf 20 september 2025 verblijft [gedaagde 2] in ruimte [nummer 2] en daarvoor heeft zij ook nog op een kamer in het AZC bij een vriendin verbleven. [gedaagde 1] verblijft nog steeds in ruimte [nummer 1] .
2.2.
Bij brieven van 14 januari 2025 heeft het COA gedaagden meegedeeld dat zij met het verkrijgen van een verblijfsvergunning in aanmerking komen voor huisvesting in een gemeente. Gedaagden is verder meegedeeld dat gemeenten verplicht zijn om de huisvesting voor vergunninghouders te realiseren. Ook is uitgelegd dat de gemeente hen dwingend en eenmalig passende woonruimte zal aanbieden. Zij zijn erop gewezen dat – als zij de aangeboden passende huisvesting weigeren – de verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 zullen eindigen en zij gehouden zijn om het AZC te verlaten.
2.3.
Op 16 januari 2025 heeft een locatiemedewerker van het AZC met gedaagden een huisvestingsgesprek gehad. Dit gesprek heeft in het Engels plaatsgevonden. [gedaagde 1] spreekt Engels en Arabisch. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] spreken Arabisch met elkaar. Tijdens dit gesprek zijn gedaagden geïnformeerd over het voornemen van het COA om hen aan een gemeente te koppelen die hen dwingend en éénmalig passende woonruimte zal aanbieden. Ook zijn zij gewezen op de consequenties van een onterechte weigering van aangeboden passende huisvesting en is aan hen informatie verstrekt over de huisvestingsprocedure.
2.4.
De inhoud van het gesprek is vastgelegd in twee gespreksformulieren, één voor [gedaagde 1] en één voor [gedaagde 2] . Op die formulieren staat weergegeven dat zij i) geen familie in de 1e graad hebben in een gemeente, ii) dat zij niet zijn toegelaten tot een opleiding in een gemeente, iii) dat zij geen betaald werk hebben (minimaal 8 uur per week) in een gemeente en iv) dat zij geen specifieke, niet over te dragen, medische behandeling in een gemeente ondergaan waarvoor tenminste vier keer per jaar naar een behandelaar gereisd moet worden. Op het formulier van [gedaagde 1] staat vermeld dat hij kenbaar heeft gemaakt dat de aanwezigheid van een tolk niet is vereist. Het formulier van [gedaagde 1] is ondertekend door twee personen. Het formulier van [gedaagde 2] is niet ondertekend. Op dat formulier wordt op de plaats van de handtekening verwezen naar het formulier van [gedaagde 1] (“zie document partner [v-nummer] ”)
2.5.
Op 24 januari 2025 is aan gedaagden bericht dat de gemeente [gemeente] bereid is gevonden om hen bij voorrang woonruimte beschikbaar te stellen en aan hen een passend aanbod voor huisvesting te doen.
2.6.
Op 10 februari 2025 is [gedaagde 1] in dienst getreden bij [bedrijf] in [plaats 2] als allround clubmedewerker. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zeven maanden.
2.7.
Op 5 juli 2025 is aan gedaagden een woning aangeboden in de gemeente [gemeente] . Gedaagden hebben het aanbod niet geaccepteerd. Op 7 augustus 2025 zijn gedaagden door het COA uitgenodigd voor een zogenaamd weigeringsgesprek. In de brief staat onder meer vermeld:
“Tijdens dit gesprek kunt u aangeven wat uw redenen zijn om het aanbod te weigeren. Bij het gesprek zal gebruik worden gemaakt van een tolk. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt aan de hand waarvan de afdeling Juridische Zaken zal bekijken of uw redenen om te weigeren gegrond zijn. (…)
Indien geoordeeld wordt dat u geen gegronde redenen heeft om de woonruimte te weigeren is de u aangeboden woonruimte passend. Het gevolg daarvan is dat de verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) worden beëindigd. U dient dan de opvanglocatie te verlaten.”
2.8.
Op 7 augustus 2025 heeft het weigeringsgesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het COA en gedaagden. In het verslag van dit gesprek staat vermeld dat [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de locatie erg ver van zijn werkplek is en dat er geen geschikte vorm van openbaar vervoer beschikbaar is. Ook staat in het verslag dat [gedaagde 2] kampt met ernstige psychische problemen als gevolg van eerdere traumatische ervaringen en dat haar toestand aanzienlijk is verslechterd sinds de verhuizing naar de locatie waar ze nu verblijven. [gedaagde 2] heeft regelmatig last van paniekaanvallen en angst, zo staat in het verslag vermeld. [gedaagde 1] heeft verzocht om rekening te houden met de situatie van gedaagden en hen over te plaatsen naar een woning dichter in de buurt van het werk van [gedaagde 1] en in een stabielere en veiligere omgeving voor [gedaagde 2] . Verder blijkt uit het formulier dat [gedaagde 1] zich bewust is van de consequenties van zijn woningweigering en dat het hem duidelijk is dat hij uiterlijk op het moment van ontvangst van het bericht de woonruimte nog kan accepteren en dat als hij volhardt in de weigering dat de woonruimte dan niet langer voor hem beschikbaar is en dat de verstrekkingen eindigen. Het verslag is ondertekend door een COA-medewerker, [gedaagde 1] en de tolk.
2.9.
Het COA heeft vervolgens de bezwaren beoordeeld die in het weigeringsgesprek aan naar voren zijn gebracht. Geoordeeld is dat gedaagden de hen aangeboden woning onterecht hebben geweigerd. Het COA heeft kort weergegeven overwogen dat bij de bemiddeling geen rekening wordt gehouden met persoonlijke woonwensen. Van het werk van [gedaagde 1] is geoordeeld dat de baan als clubmedewerker bij [bedrijf] niet alleen in een betreffende regio uitgevoerd kan worden en dat daar geen specifieke kennis en vaardigheden voor nodig zijn, zodat het COA daar geen rekening mee hoeft te houden. Voor wat betreft de psychische problemen van [gedaagde 2] is geoordeeld dat deze niet zijn onderbouwd met medische verklaringen, zodat aan dit argument niet de door gedaagden gewenste waarde kan worden gehecht. Tot slot zijn gedaagden erop gewezen dat het verstandiger is de aangeboden woonruimte te accepteren.
2.10.
Op 12 augustus 2025 zijn gedaagden uitgenodigd voor een tweede woningweigeringsgesprek, dat heeft plaatsgehad op 14 augustus 2025. Daarin is aan de orde gekomen dat het COA de woningweigering onterecht heeft bevonden. Ook zijn gedaagden nogmaals gewezen op de gevolgen van de weigering en is hen een laatste kans geboden om de woning alsnog binnen 24 uur te accepteren. Daarbij zijn zij erop gewezen dat bij een weigering de verstrekking van de Rva-voorzieningen op dat moment zou worden beëindigd. Gedaagden hebben de woning niet geaccepteerd.
2.11.
Bij brief van 15 september 2025 zijn gedaagden gesommeerd om de door hen gebruikte ruimte in het AZC [plaats 1] (ruimte [nummer 1] ) binnen drie dagen na dagtekening van de brief te ontruimen en ontruimd te houden. Gedaagden zijn daar niet toe overgegaan.

3.Het geschil

3.1.
Het COA vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:
I. gedaagden veroordeelt om de bij hen in gebruik zijnde ruimte in het AZC [plaats 1] aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats 1] , ruimte [nummer 1] , of elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie, binnen drie dagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne en al de hunnen;
II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert het COA – samengevat – het volgende aan.
Gedaagden verblijven in een AZC en zij hebben een aanbod tot beschikbare en passende huisvesting geweigerd. Daarmee is hun recht op opvang van rechtswege geëindigd, zodat zij op dit moment zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig in de opvang verblijven. Hoewel zij gesommeerd zijn de opvang te verlaten hebben gedaagden aan die sommatie geen gevolg gegeven.
3.3.
Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a Rva 2005 eindigen de verstrekkingen aan asielzoekers op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. De opvang van gedaagden in het AZC [plaats 1] eindigt dus van rechtswege als zij een aanbod van het COA voor passende huisvesting hebben geweigerd. In een dergelijke situatie verblijven zij daar onrechtmatig. In dit kort geding is tussen partijen in geschil of de door het COA aangeboden woning aan het adres [adres 2] te [plaats 3] als ‘passend’ moet worden aangemerkt.
4.2.
Door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] is naar voren gebracht dat het COA bij zijn standpunt dat gedaagden passende woonruimte is aangeboden van belang zijnde feitelijke omstandigheden ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
4.3.
Zo heeft de advocaat van [gedaagde 1] erop gewezen dat het eerste huisvestingsgesprek van 16 januari 2025 in het Engels heeft plaatsgevonden, zonder tolk. Daarbij is de vraag opgeworpen of het belang van het gesprek met name ook voor [gedaagde 2] , die geen Engels spreekt, duidelijk is geworden. Namens [gedaagde 2] is aangevoerd dat zij het Engels onvoldoende machtig is, en dat zij eerder niet kenbaar heeft kunnen en durven maken dat sprake was van een moeizame relatie met [gedaagde 1] . Ook heeft [gedaagde 2] medische stukken overgelegd waaruit volgt dat zij bij de huisarts op 6 augustus 2025 voor het eerst melding heeft gemaakt van een traumatische gebeurtenis van vijf jaar geleden (naar ter zitting bleek: in Marokko) waardoor zij psychische klachten heeft. Op 25 september 2025 heeft zij voor het eerst melding gemaakt van mishandeling door [gedaagde 1] op 19 september 2025.
4.4.
In het huisvestingsgesprek van 16 januari 2025 is gesproken over de vraag of voor gedaagden plaatsingscriteria gelden. In de overgelegde B06-formulieren staat vermeld dat deze plaatsingscriteria voor hen niet van toepassing zijn, en gedaagden hebben dit formulier ook ondertekend. Hoewel bij dit gesprek geen tolk aanwezig is geweest, is niet gebleken dat gedaagden daardoor zijn benadeeld. Daarvoor is van belang dat [gedaagde 1] Engels spreekt en dat hij kenbaar heeft gemaakt dat de aanwezigheid van een tolk bij het gesprek ook niet nodig was. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met elkaar in het Arabisch communiceren en zij tijdens het gesprek in het Arabisch met elkaar hebben gesproken, mag worden aangenomen dat [gedaagde 2] is geïnformeerd over dat wat is besproken. Maar zelfs als [gedaagde 1] tijdens dit gesprek niet door [gedaagde 1] is geïnformeerd over wat er is besproken, valt zonder nadere toelichting, die [gedaagde 2] niet heeft gegeven, niet in te zien in welk belang zij is geschaad. In dit verband is van belang dat uit de medische stukken blijkt dat [gedaagde 2] op dat moment nog geen melding had gemaakt van psychische problematiek en relatieproblemen met [gedaagde 2] , zodat die omstandigheden ook niet zouden zijn meegenomen. Dit verweer van [gedaagde 2] slaagt niet.
4.5.
In het weigeringsgesprek van 7 augustus 2025, dat in aanwezigheid van een tolk is gevoerd, hebben gedaagden twee redenen voor weigering van de woning aangevoerd, namelijk het werk van [gedaagde 1] en psychische problemen van [gedaagde 2] . Met het COA is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheid dat [gedaagde 1] zijn werk bij [bedrijf] in [plaats 2] vanuit de gemeente [gemeente] niet met het openbaar vervoer kan bereiken niet maakt dat de woning niet passend is. Het COA heeft er met juistheid op gewezen dat de voorwaarden die gelden voor omkoppeling [1] vanwege werk niet aan de orde zijn. Voor de baan van [gedaagde 1] zijn geen specifieke kennis en vaardigheden nodig die elders niet als zodanig ingezet kunnen worden. De functie van allround medewerker in een fitnesschool, of een daarmee vergelijkbare functie, kan ook in andere regio’s (ook in de regio van gemeente [gemeente] ) worden uitgeoefend. Van [gedaagde 1] mag worden verwacht dat hij in de regio van gemeente [gemeente] een vergelijkbare baan kan vinden. Het COA heeft dit bezwaar dan ook kunnen passeren.
4.6.
Datzelfde geldt voor de aangevoerde psychische problematiek van [gedaagde 2] . In het weigeringsgesprek van 7 augustus 2025 is aangevoerd dat [gedaagde 2] regelmatig last heeft van paniekaanvallen en angst, dat zij niet alleen in de woning kan verblijven en dat de woonomgeving niet geschikt is voor haar mentale gezondheid. Nog los van de omstandigheid dat ten tijde van het weigeringsgesprek geen onderbouwing van de psychische problematiek is gegeven, blijkt uit de medische stukken niet dat de destijds aangevoerde psychische problematiek meebrengt dat de aangeboden woning niet passend is. Voor zover [gedaagde 2] betoogt dat zij vanwege de huwelijksproblemen niet samen met [gedaagde 1] in de aangeboden woning kan verblijven, geldt het volgende.
4.7.
Gedaagden hebben erop gewezen dat zij weliswaar gehuwd zijn, maar huwelijksproblemen hebben, dat zij inmiddels ook gescheiden van elkaar wonen in het AZC en [gedaagde 2] stelt dat ze van [gedaagde 1] wil scheiden. Gedaagden hebben toegelicht dat het COA ook bekend is met de huwelijksproblemen, omdat [gedaagde 2] vanaf 20 september 2025 een eigen kamer in het AZC toegewezen heeft gekregen en dat zij voor die datum ook al enige tijd bij een vriendin inwoonde in het AZC. Namens [gedaagde 1] is in dit verband de vraag gesteld wie van hen bij acceptatie van de aangeboden woning deze had moeten betrekken. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat voor hem alleen een kleinere woning dan de aangeboden woning volstaat.
4.8.
Uit de feiten blijkt niet dat het COA al bekend was met de huwelijksproblematiek ten tijde van de weigeringsgesprekken. [gedaagde 2] heeft immers pas op 20 september 2025 een eigen kamer toegewezen gekregen. De door gedaagden benoemde huidige huwelijkssituatie, doet er niet aan af dat aangenomen moet worden dat de eerder aangeboden woning destijds passend is geweest. Wanneer gedaagden de aangeboden woning destijds hadden geaccepteerd hadden de huidige huwelijksproblemen zich pas gemanifesteerd na het verlaten van het AZC. In dat geval hadden zij ook zelf een oplossing moeten vinden en hadden zij het AZC al verlaten.
4.9.
Nu gedaagden de aangeboden woning niet hebben geaccepteerd, hoewel zij daar herhaaldelijk de kans voor hebben gekregen, geldt dat zij een passende woning hebben geweigerd, waardoor hun opvang in het AZC [plaats 1] van rechtswege is geëindigd en zij daar dus onrechtmatig verblijven. Dat brengt met zich dat de gevorderde ontruiming van de door hun betrokken ruimtes in het AZC toewijsbaar is.
4.10.
Een afweging van de belangen van partijen maakt dit onder de huidige omstandigheden niet anders. Gedaagden zijn uitvoerig gewezen op de gevolgen van weigering van de woning. Bovendien heeft het COA gemotiveerd toegelicht dat de betrokken ruimte(s) nodig zijn om andere asielzoekers van onderdak te kunnen voorzien. De huidige huwelijksperikelen leiden ook niet tot een ander oordeel. Voor [gedaagde 2] geldt immers dat zij uitsluitend beschikt over een afgeleide verblijfsvergunning, zodat die verblijfsvergunning na de door haar gewenste scheiding vervalt. Nu zij over de Marokkaanse nationaliteit beschikt heeft zij (ook nu al) de mogelijkheid om terug te keren naar Marokko. Uit de beschikbare stukken blijkt niet van omstandigheden die het – gezien haar Marokkaanse nationaliteit – aannemelijk maken dat zij een verblijfsvergunning op humanitaire gronden zal kunnen verkrijgen, zoals haar advocaat stelt.
4.11.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- dagvaarding € 146,43
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) +
Totaal € 2.145,43

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om de bij hen in gebruik zijnde ruimte(s) in het AZC [plaats 1] aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats 1] , ruimte [nummer 1] en ruimte [nummer 2] , of elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne en de hunnen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van de Staat van € 2.145,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
ddg

Voetnoten

1.De mogelijkheid om in bepaalde gevallen aan een andere gemeente gekoppeld te worden.