ECLI:NL:RBDHA:2025:22006

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/09/24/357 F
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van het bevel tot inbewaringstelling in faillissement

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in het faillissement van een gefailleerde, die in bewaring is gesteld. De curator, mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden, heeft op 5 november 2025 verzocht om verlenging van de inbewaringstelling van de gefailleerde, omdat deze niet voldoet aan zijn informatieverplichtingen. De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende stukken, waaronder eerdere verzoeken en adviezen van de rechter-commissaris. De gefailleerde is op 22 september 2025 in bewaring gesteld en heeft sindsdien geen controleerbare informatie verstrekt over activa die tot de boedel behoren. De curator heeft herhaaldelijk geprobeerd om informatie te verkrijgen, maar de gefailleerde blijft tekortschieten. De rechtbank heeft de belangen van de gefailleerde afgewogen tegen de noodzaak van de inbewaringstelling en geconcludeerd dat de gronden voor de inbewaringstelling nog steeds aanwezig zijn. De termijn van de inbewaringstelling is verlengd met dertig dagen, ingaande 21 november 2025.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies – meervoudige kamer
insolventienummer: C/09/24/357 F
uitspraakdatum : 20 november 2025
In het faillissement van:
[gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ),
geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
woonadres: [postcode] [plaats 1] , [adres] ,
gefailleerde,
heeft de curator, mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden (hierna: de curator), op 5 november 2025 verzocht de inbewaringstelling van [gefailleerde] nogmaals te verlengen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de hierna genoemde stukken:
- de voordracht van de rechter-commissaris tot inbewaringstelling van 9 september 2025 en het bevel van de rechtbank tot inbewaringstelling van 9 september 2025;
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de curator van 10 oktober 2025 tot verlenging van de inbewaringstelling;
- het advies van de rechter-commissaris van 14 oktober 2025 naar aanleiding van het verlengingsverzoek van de curator van 10 oktober 2025;
- de beschikking van 20 oktober 2025 waarin het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 is verlengd met dertig dagen;
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de curator van 5 november 2025 tot verlenging van de inbewaringstelling;
- het advies van de rechter-commissaris van 6 november 2025 naar aanleiding van het verlengingsverzoek van de curator van 5 november 2025;
- de e-mail, met bijlagen, van de curator van 18 november 2025 inzake de e-mail van mr. H. Weisfelt, de advocaat van [gefailleerde] (hierna: mr. Weisfelt).
1.2.
Het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 is op 22 september 2025 tenuitvoergelegd. [gefailleerde] is op die dag aangehouden en in bewaring gesteld op het politiebureau. Daar heeft de curator hem diezelfde dag tezamen met een kantoorgenoot bezocht.
1.3.
Op 24 september 2025 heeft het verhoor op grond van artikel 5, eerste lid, van het EVRM plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit verhoor heeft de rechtbank geen aanleiding gezien
het bevel tot inbewaringstelling te schorsen of op te heffen.
1.4.
Bij beschikking van 20 oktober 2025 is de termijn van het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 verlengd met dertig dagen, welke verlengde termijn aanving op
22 oktober 2025 en dus loopt tot en met 20 november 2025.
1.5.
De behandeling van het (tweede) verzoek tot verlenging van de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- [gefailleerde] ;
- mr. Weisfelt;
- de curator, vergezeld door haar kantoorgenote mr. L.E. Burggraaff.
1.6.
De rechtbank heeft meegedeeld dat op 20 november 2025 uitspraak wordt gedaan.

2.Standpunt van partijen

Standpunt van de curator

2.1.
De curator verzoekt de rechtbank om de inbewaringstelling nogmaals te verlengen met dertig dagen. Zij stelt dat de inbewaringstelling nog steeds nodig is om [gefailleerde] aan te zetten tot het verstrekken van de verzochte informatie over verschillende activa die tot de boedel behoren. Sinds de verlengingsbeschikking van 20 oktober 2025 heeft de curator [gefailleerde] opnieuw, op 23 en op 27 oktober 2025, in de PI [plaats 2] bezocht.
[gefailleerde] geeft nog steeds geen controleerbare informatie. Daardoor kan de curator de boedel niet op een correcte wijze afwikkelen. De curator heeft er geen vertrouwen in dat [gefailleerde] bij invrijheidstelling wél aan zijn informatieverplichting zal voldoen. De curator heeft dat – samengevat – als volgt nader toegelicht.
2.2.
Er zijn sinds de laatste verlenging van de inbewaringstelling nog steeds onvoldoende (verifieerbare) stukken overgelegd. [gefailleerde] verwijst hiervoor telkens naar zijn advocaat, terwijl hij zelf moet bewerkstelligen dat die informatie wordt overgelegd. Antwoorden als: ‘Als ik vrij ben dan…’ zijn onvoldoende om ervan uit te gaan dat [gefailleerde] bij het schorsen of opheffen van de inbewaringstelling de daad bij het woord zal voegen. Bankpassen, telefoon(s), wachtwoorden, inlogcodes etc. kan [gefailleerde] vanuit de PI overleggen, maar dat doet hij niet. Inmiddels is gebleken dat [gefailleerde] niet op zijn woord kan worden geloofd omdat hij diverse keren – ook tegenover de rechtbank – heeft verklaard dat beleningsovereenkomsten betreffende horloges en sieraden met [naam] niet op zijn naam staan, terwijl is gebleken dat dit wél zo is. Verder worden activa buiten de boedel gehouden, zoals horloges, sieraden en auto’s (Mercedessen). Op voorstellen van de curator om zekerheden te stellen ter zake van deze activa wordt door [gefailleerde] niet ingegaan, zodat een schorsing van de inbewaringstelling niet aan de orde is. Er is op dit moment nog geen aanleiding om de inbewaringstelling op te heffen of te schorsen. De curator heeft in dat kader [gefailleerde] al handreikingen gedaan, maar [gefailleerde] gaat daar niet op in. [gefailleerde] heeft diverse keren gezegd dat hij vrij wil komen. Hij doet ook wel iets, zoals het invullen van de vragenlijst, maar cruciale en essentiële informatie, zoals overeenkomsten, adressen, wachtwoorden, bankpassen, inzage in zijn telefoon etc. én afgifte van de vier horloges, laat hij na. De curator heeft geen enkele reden om aan te nemen dat hij die informatie vrijwillig komt afgeven.
Het feit dat blijkt dat de overeenkomsten betreffende de horloges bij [naam] wel degelijk op zijn naam staat, maakt volgens de curator dat [gefailleerde] eerst stukken dient aan te leveren, voordat hij, mogelijk onder voorwaarden, in vrijheid kan worden gesteld. Zijn reizen naar het buitenland, waarover hij de curator niet had ingelicht, maken haar vertrouwen in vrijwillige nakoming niet groter. Een minder ingrijpend middel dan de verlenging van de inbewaringstelling is daarom niet aangewezen.
2.3.
Omdat de boedel gebaat is bij een goede en snelle afwikkeling, heeft de curator het voorstel gedaan aan [gefailleerde] dat, zodra de vier horloges, dan wel de waarde van de horloges, zijn afgegeven op het kantoor van de curator (en geverifieerd), wat haar betreft het bevel tot inbewaringstelling kan worden geschorst onder voorwaarden. Tijdens de schorsing kan [gefailleerde] dan de resterende stukken inleveren. De curator heeft echter noch geld, noch enig horloge ontvangen.
Ter zitting heeft de curator dit voorstel gehandhaafd.
Standpunt van de rechter-commissaris
2.4.
De rechter-commissaris ondersteunt het verzoek van de curator. Volgens de rechter-commissaris is niet gebleken dat [gefailleerde] inmiddels wel voldoet aan de hem in artikel 105, eerste lid, van de Faillissementswet opgelegde verplichtingen.
Standpunt van [gefailleerde]
2.5.
Ter zitting heeft [gefailleerde] , mede bij monde van zijn advocaat, kort samengevat verklaard dat hij wel voldoende heeft meegewerkt. Alle stukken waarover hij beschikt, heeft hij verstrekt, en alle vragen van de curator heeft hij beantwoord. De vier horloges zijn niet van hem en hij heeft ze niet, zodat hij deze ook niet kan afgeven. Een verlenging van de inbewaringstelling heeft geen toegevoegde waarde, integendeel. Als [gefailleerde] in vrijheid wordt gesteld, kan hij zijn best doen om de curator meer informatie te geven, onder meer via zijn zus. Daarom heeft hij, zo begrijpt de rechtbank, om afwijzing van het verzoek van de curator dan wel een schorsing van het bevel tot inbewaringstelling voor de duur van twee weken gevraagd.
2.6.
Op de standpunten van de curator, de rechter-commissaris en [gefailleerde] wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

Toetsingskader

3.1.
De rechtbank moet, mede gezien hetgeen is bepaald in artikelen 5 en 6 EVRM, de vraag beantwoorden of op basis van de huidige stand van zaken nog gronden voor inbewaringstelling aanwezig zijn, en zo ja, of die gronden nog steeds een voortgezette inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [gefailleerde] rechtvaardigen. Daarbij moet de rechtbank het recht op persoonlijke vrijheid van [gefailleerde] – waaraan naarmate de inbewaringstelling langer duurt een zwaarder gewicht toekomt – afwegen tegen de bij de voortduring van de inbewaringstelling betrokken belangen.
3.2.
Artikel 105 lid 1 Fw verplicht [gefailleerde] om de curator alle inlichtingen te verschaffen die de curator nodig heeft voor een goede afwikkeling van het faillissement.
[gefailleerde] moet de curator gevraagd en ongevraagd informeren over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Meer in het bijzonder moet hij opgave doen van alle activa in zowel binnen- als buitenland. Hierbij mag [gefailleerde] er niet van uitgaan dat de curator hem op zijn woord gelooft, maar zal hij zijn informatie – op overzichtelijke wijze – met stukken moeten onderbouwen.
3.3.
De inbewaringstelling is een vrijheidsbeperkende maatregel, die slechts in overeenstemming is met artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, EVRM als zij wordt aangewend om de gefailleerde te dwingen tot naleving van de wettelijke verplichtingen die voor hem aan zijn faillissement zijn verbonden. In het licht van het subsidiariteitsbeginsel dat uit het EVRM voortvloeit kan een inbewaringstelling slechts worden bevolen (of een verlenging ervan slechts worden bepaald) indien het daarmee beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de rechter gehouden is te onderzoeken of hij in het voorkomende geval kan volstaan met het bevelen van een inbewaringstelling (of, zoals in dit geval, met het bepalen van een verlenging ervan) met gelijktijdige schorsing van de tenuitvoerlegging ervan.
Beslissing
3.4.
De rechtbank is met de curator en de rechter-commissaris van oordeel dat de gronden voor de inbewaringstelling van [gefailleerde] nog onverkort aanwezig zijn, aangezien [gefailleerde] nog steeds niet voldoet aan de informatieverplichting die op hem als failliet rust op grond van artikel 105 Fw. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de huidige stand van zaken betreffende het niet voldoen aan de informatieverplichting, mede afgewogen naar hetgeen is bepaald in artikel 5 en artikel 6 EVRM, nog steeds een voortgezette inbreuk op zijn persoonlijke vrijheid rechtvaardigt. Er is onvoldoende aanleiding om de inbewaringstelling op te heffen of te schorsen. Daarom moet de termijn van het bevel tot inbewaringstelling worden verlengd met dertig dagen, ingaande 21 november 2025. De rechtbank motiveert dit als volgt.
3.5.
De curator heeft gemotiveerd uiteengezet dat de bewaring nog steeds noodzakelijk is voor nader onderzoek naar activa. Ondanks diverse verzoeken, waarin de curator concreet heeft aangegeven welke specifieke informatie en documentatie zij van [gefailleerde] wil ontvangen, heeft [gefailleerde] nog lang niet alle gevraagde gegevens aan de curator verstrekt. Evenmin heeft [gefailleerde] (volledige en/of controleerbare) antwoorden gegeven op vele vragen van de curator. Daarnaast heeft [gefailleerde] , ook ter zitting, tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De informatie die inmiddels wel is aangeleverd, is naar het oordeel van de rechtbank erg summier en bovendien onvoldoende duidelijk, incompleet en/of tegenstrijdig en deels een herhaling van wat al bekend was.
Uit de – door de curator achterhaalde – door [gefailleerde] ondertekende beleenovereenkomsten met [naam] inzake de horloges bijvoorbeeld blijkt dat [gefailleerde] heeft verklaard de eigenaar van deze horloges te zijn en - onder andere - hiervoor heeft getekend. [gefailleerde] ontkent dat hij deze overeenkomsten heeft getekend, stelt dat zijn zus de eigenaar van de horloges is en dat [naam] liegt. [gefailleerde] heeft dit echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat niet valt in te zien welk belang [naam] erbij zou hebben om voornoemde overeenkomsten valselijk op te maken en daar valse verklaringen over af te leggen en dat een deel van de betalingen door [gefailleerde] via zijn bankrekening is gedaan. Verder heeft [gefailleerde] ter zitting van 19 november 2025 verklaard dat zijn zus toch nog een van de horloges in haar bezit heeft. Die verklaring is in strijd met eerdere verklaringen en ook de curator was daar nog niet mee bekend.
Een ander voorbeeld betreft het verblijf van [gefailleerde] in Alicante in Spanje in juli 2025, waar de curator uit bankafschriften van is gebleken en waar zij informatie over wil hebben. [gefailleerde] heeft steeds gezegd dat hij daar was omdat hij naar een zitting van de rechtbank moest en heeft uiteindelijk een document van 14 oktober 2025 van de Rechtbank van Onderzoek nr. 4 van Benidorm overgelegd, waaruit dit volgens hem blijkt. Uit de vertaling van dit stuk blijkt echter dat het niet gaat om een oproeping, maar om een beslissing een zaak te heropenen. [gefailleerde] is op 3 december 2021 bij verstek veroordeeld. Op 13 juli 2025 is hij in Spanje aangehouden en aan de rechtbank voorgeleid.
[gefailleerde] heeft deze uitleg van het stuk betwist en heeft ter zitting verklaard dat dat de datum van zijn verschijnen voor de rechtbank betreft. Hij heeft deze verklaring echter niet onderbouwd en geen antwoord gegeven op de vraag waarom hij de oproepbrief van de Spaanse rechtbank niet heeft overgelegd. De verklaring van [gefailleerde] komt de rechtbank ook overigens hoogst onaannemelijk voor, aangezien 13 juli 2025 viel op een zondag.
Proportionaliteit en subsidiariteit
3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is er nog steeds voldoende grond voor toepassing van het dwangmiddel van inbewaringstelling. In het belang van een juiste afwikkeling van de boedel moet de curator over meer en concretere informatie beschikken. Die heeft zij nog steeds niet van [gefailleerde] gekregen. Hij schiet dus bij voortduring tekort in de nakoming van de informatieverplichting die voortvloeit uit artikel 105 Fw. Een verlenging van de inbewaringstelling is proportioneel. De curator heeft [gefailleerde] sinds de verlengingsbeschikking van 20 oktober 2025 wederom twee keer bezocht in de Penitentiaire Inrichting waar hij verblijft. [gefailleerde] heeft opnieuw enige informatie en enkele stukken verstrekt. De inbewaringstelling heeft dus sinds de beschikking van 20 oktober 2025 wel iets opgeleverd, maar nog steeds onvoldoende. De rechtbank verwacht, met de curator, dat voortzetting van (de druk van) de inbewaringstelling noodzakelijk is om [gefailleerde] verder in beweging te krijgen.
3.7
De rechtbank is voorts van oordeel dat wordt voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Een minder vergaande maatregel, zoals een schorsing van het bevel tot inbewaringstelling, is niet aan de orde. [gefailleerde] is zijn eerdere toezeggingen om volledige medewerking te verlenen niet nagekomen. Door zijn houding heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat hij de gevraagde informatie vrijwillig gaat aanleveren als hij in vrijheid wordt gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat het risico dat [gefailleerde] dan uit het zicht van de curator verdwijnt. [gefailleerde] heeft tevens zijn stelling dat hij vanuit detentie geen volledige medewerking kan verlenen niet onderbouwd. Zoals de rechtbank al eerder heeft opgemerkt valt niet in te zien dat hij bijvoorbeeld niet een uitvoerig en gedetailleerd schriftelijk overzicht kan geven omtrent de kwesties waarover de curator vragen heeft gesteld en stukken ter onderbouwing van zijn verklaringen kan (laten) aanleveren.
3.8.
Het verzoek van de curator zal dus worden toegewezen, zodat de inbewaringstelling zal worden verlengd.

4.De beslissing

De rechtbank:
- bepaalt dat de termijn van het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 nogmaals wordt verlengd met ten hoogste dertig dagen, welke verlengde termijn aanvangt op 21 november 2025.
Dit is een beslissing van mr. J. Eisses, voorzitter, mr. J.C.A.T. Frima en mr. S.N. Mentrop-Huliselan, rechters, in samenwerking met R. Becker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.