Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 4 januari 2024 ontvangen en de minister moest binnen zes maanden beslissen. Hoewel de minister aanvankelijk de beslistermijn had verlengd, is deze verlenging ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt.
De rechtbank oordeelt dat eiser het beroep tijdig heeft ingesteld na een ingebrekestelling en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank legt de minister een termijn op om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit te nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
Deze uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier S.J. Simorangkir en is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025.