ECLI:NL:RBDHA:2025:21844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
11638810
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in vertrouwelijk advies van de landsadvocaat inzake de Wet toekomst pensioenen

In deze zaak hebben verzoekers, bestaande uit meerdere personen, een verzoek ingediend om inzage in een vertrouwelijk advies van de landsadvocaat van 3 maart 2011. Dit advies betreft de juridische en beleidsmatige legitimiteit van de Wet toekomst pensioenen (Wtp), die per 1 juli 2023 in werking is getreden en die gevolgen heeft voor de pensioenrechten van ex-werknemers. Verzoekers stellen dat de Staat door het 'invaren' van opgebouwde pensioenrechten inbreuk maakt op hun individuele eigendomsrecht en dat deze inbreuk onrechtmatig is. Ze hebben de Staat verzocht om vrijwillige afgifte van het advies, maar dit verzoek is afgewezen. Ook hun verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet open overheid (Woo) is niet ingewilligd.

De kantonrechter heeft de procedure beoordeeld en vastgesteld dat verzoekers zich beroepen op het inzagerecht van artikel 843 Rv, dat per 1 januari 2025 is gewijzigd in artikel 194 Rv. De kantonrechter oordeelt dat de Staat zich terecht beroept op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv, omdat het gaat om vertrouwelijke communicatie tussen de Staat en zijn advocaat. De kantonrechter concludeert dat er een gewichtige reden is om het verzoek af te wijzen, en dat de belangen van verzoekers niet opwegen tegen het verschoningsrecht van de advocaat. De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt verzoekers in de proceskosten, die zijn begroot op € 677,00.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
dn/c
Zaaknummer: 11638810 \ RP VERZ 25-50273
Beschikking van10november 2025
in de zaak van

1.[verzoekers sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[verzoekers sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[verzoekers sub 3],
te [woonplaats] ,
4.
[verzoekers sub 4],
woonplaats onbekend,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: verzoekers,
procederend in persoon,
tegen
De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),
te Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. P.P.M. van Kippersluis.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (aanvullend) verzoekschrift,
- het verweerschrift.
1.2.
Op 2 oktober 2025 is een mondelinge behandeling gehouden. Beide partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. Van hetgeen verder op de zitting is besproken, zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) is per 1 juli 2023 in werking getreden. De Wtp strekt tot herziening van het aanvullend pensioenstelsel en omvat met name wijzigingen in de Pensioenwet (Pw). Voor ex-werknemers die een uitkeringsovereenkomst hebben, betreft het voornaamste gevolg van de Wtp de omzetting van onder het oude pensioenstelsel opgebouwde pensioen bij een pensioenfonds in een premieregeling met (mogelijk) fluctuerende uitkeringen. Dit wordt ‘invaren’ genoemd. [1]
2.2.
Verzoekers stellen dat de Staat door ‘in te varen’ inbreuk maakt op het individuele eigendomsrecht [2] op opgebouwde pensioenaanspraken en daarmee jegens verzoekers (en 11 miljoen andere belanghebbenden) onrechtmatig handelt en dat deze inbreuk niet gerechtvaardigd is. Het bij verzoekers bestaande vermoeden dat de juridische en beleidsmatige legitimiteit van ‘invaren’ ontbreekt, zien verzoekers onder meer bevestigd in een interne nota van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de interne nota wordt ingegaan op het door de advocaat van de Staat (hierna: de landsadvocaat) gegeven advies van 3 maart 2011 over ‘invaren’ in relatie tot het individuele eigendomsrecht. Volgens verzoekers heeft de landsavocaat in dit advies ernstige twijfels geuit over de opportuniteit en de rechtmatigheid van de Wtp.
2.3.
Verzoekers stellen, kort gezegd, belang te hebben bij inzage in dit specifieke advies van de landsadvocaat voor de vaststelling en onderbouwing van een civiele vordering uit onrechtmatige daad en/of een schadevordering in een strafzaak wegens het verduisteren van pensioengelden. Verzoekers hebben de Staat om vrijwillige afgifte van het advies van de landsadvocaat van 3 maart 2011. De Staat heeft dit verzoek niet ingewilligd. Daarnaast hebben verzoekers op grond de Wob (Wet openbaarheid van bestuur) en/of de Woo (Wet open overheid) tevergeefs om openbaarmaking van het advies verzocht. Verzoekers maken daarom in deze procedure, na vermindering van het verzoek, op grond van het wettelijke inzagerecht aanspraak op afgifte van het advies van de landsadvocaat van 3 maart 2011 (hierna: het advies).

3.De beoordeling van het verzoek tot afgifte van het advies

Het juridische kader
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat verzoekers in hun verzoekschrift en in de daarbij behorende producties uitvoerig ingaan op de bij verzoekers bestaande bezwaren tegen de inwerkingtreding van de Wtp en de daarmee gepaard gaande overgang naar een (ver)nieuw(d) pensioenstelsel, het handelen van de Staat, De Nederlandsche Bank en de pensioenfondsen alsmede de civiele en strafrechtelijke procedures die mogelijk tegen de Staat en/of derden als gevolg van deze handelswijze zullen volgen. Verzoekers maken zich ernstig zorgen over de gevolgen van het nieuwe pensioenstelsel voor de koopkracht van verzoekers.
3.2.
De kantonrechter begrijpt dat verzoekers hiermee duidelijk hebben willen maken waarom zij het advies wensen in te zien. De kantonrechter zal uitsluitend de stellingen van verzoekers bespreken die nodig zijn voor de beoordeling van de grondslag van het verzoek. Al het overige dat door verzoekers naar voren is gebracht, blijft onbesproken.
Artikel 843 (oud) Rv versus artikel 194 (nieuw) Rv
3.3.
Verzoekers baseren hun verzoek op het inzagerecht van artikel 843 Rv. Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Het inzagerecht is nu opgenomen in de artikelen 194 e.v. Rv. Omdat verzoekers het verzoek na 1 januari 2025 hebben ingediend, dient het verzoek op grond van het toepasselijke overgangsrecht aan artikel 194 e.v. (nieuw) Rv te worden beoordeeld. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de wetsartikelen zoals deze gelden met ingang van 1 januari 2025.
3.4.
Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet volgens artikel 194 Rv aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Volgens het eerste lid van dit artikel moet de verzoeker voldoende belang hebben bij het krijgen van de gegevens, de gegevens moeten relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de verzoeker partij is en de verzoeker moet voldoende concreet kunnen omschrijven om welke gegevens het gaat. Verder zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat de wederpartij over die gegevens beschikt of deze eenvoudig van een derde kan verkrijgen. In beginsel moet de informatiebezitter aan een inzageverzoek meewerken wanneer aan alle voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv is voldaan. Er kunnen echter omstandigheden zijn waardoor deze medewerking niet van partijen of een derde kan worden gevergd. Het tweede lid noemt een tweetal gronden waarop de wederpartij niet verplicht is tot het geven van inzage: als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv (onder a) of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan (onder b).
Geen recht op het advies vanwege een weigeringsgrond
3.5.
De Staat verweert zich primair tegen het verzoek met een beroep op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv. Volgens de Staat hebben verzoekers geen recht op afschrift van het advies van de landsavocaat van 3 maart 2011 omdat het gaat om een vertrouwelijk advies van een advocaat aan zijn client. Dat de Staat zelf zich niet op een (afgeleid) verschoningsrecht kan beroepen terwijl hij wel geprivilegieerde informatie onder zich kan hebben, doet hier niet af. Het belang dat eenieder de vrijheid heeft om een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die
vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, zou immers
onaanvaardbaar worden geschaad indien degene die een geheimhouder wil raadplegen
(bijvoorbeeeld de Staat), niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen
vastleggen en bewaren. Immers, wanneer een cliënt de afgifte van vertrouwelijke advocaat-cliënt-communicatie niet zou kunnen weigeren, zou het profesionele verschoningsrecht gemakkelijk kunnen worden omzeild.
De Staat stelt zich daarom op het standpunt dat, aan het verstrekken van het verzochte advies, een gewichtige reden in de weg staat, aldus de Staat. Verzoekers betwisten dat de Staat met succes een beroep kan doen op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv. Verzoekers voeren daartoe aan dat, ook indien het gaat om vertrouwelijke advocaat-cliënt-communicatie, de kantonrechter de belangen dient af te wegen. Van een absoluut recht tot weigering is volgens verzoekers geen sprake. Bovendien betreft het volgens verzoekers een kwestie van groot maatschappelijk belang, omdat het de financiele positie van 11 miljoen pensieongerechtigden raakt.
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van de Staat op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv slaagt en licht dit oordeel als volgt toe.
3.7.
Degenen die informatie uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking onder zich hebben en geheim moeten houden of die hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, hoeven niet mee te werken aan het verstrekken van informatie onder het inzagerecht. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde gegevens en is het in beginsel aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die gegevens hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd, zodat er slechts bij hoge uitzondering ruimte is om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Het functionele verschoningsrecht - dat toekomt aan een beperkte groep vertrouwenspersonen waartoe advocaten en notarissen behoren en zich alleen uitstrekt tot hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd - berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden (HR 1 maart 1985,
NJ1986, 173).
3.8.
Niet in geschil is dat het stuk waarvan verzoekers afschrift verlangen, betrekking heeft op informatie die de Staat met zijn advocaat in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld. Evenmin is in geschil dat de Staat zelf geen geheimhouder is en zich niet kan beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht (en dus ook niet op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder a Rv). [3] Uit jurisprudentie volgt echter dat het professionele verschoningsrecht niet kan worden omzeild door vertrouwelijke advocaat-client-communicatie bij de client zelf op te vragen.
3.9.
De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 3 april 2020 [4] dan ook als volgt:
3.3.1
Hoewel de rechtspersoon zelf zich niet op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen, kan hij niettemin een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren mee te werken aan het onderzoek, voor zover door de onderzoekers inzage wordt verlangd in informatie die hij met zijn advocaat of notaris in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon enerzijds en zijn advocaat of notaris anderzijds, verborgen dient te blijven. Het belang dat een ieder de vrijheid heeft om een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, zou immers onaanvaardbaar worden geschaad indien degene die een geheimhouder wil raadplegen, niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen vastleggen en bewaren hetgeen hij zelf aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld.
3.3.2
De vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie kan voor de rechtspersoon dan ook een gegronde reden opleveren om in zoverre niet te voldoen aan zijn plicht om inzage te geven in alle stukken die de onderzoekers nodig achten voor het uitvoeren van het onderzoek. (…)
3.10.
De overwegingen van de Hoge Raad zijn tot uitgangspunt genomen in de Wet modernisering bewijsrecht en de toelichting bij artikel 194 Rv [5] :
Als bepaalde gegevens zich niet bij een functioneel verschoningsgerechtigde, zoals een arts of een advocaat bevinden, maar bij diens patiënt of cliënt, zijn laatstgenoemden niet zonder meer gehouden inzage van de verlangde gegevens te verstrekken. Het professionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. Dat geldt ook voor het onderliggende belang dat een ieder de mogelijkheid moet hebben om vrijelijk een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan deze vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd.
3.11.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzochte advies van 3 maart 2011 onder het professionele verschoningsrecht valt. Het advies betreft informatie die de Staat met zijn advocaat in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de Staat enerzijds en zijn advocaat anderzijds, verborgen dient te blijven. Evenals de Staat is de kantonrechter van oordeel dat de Staat daarom een gewichtige reden in de zin van artikel 194 lid 2 onder b Rv heeft om het afgifte van het advies aan verzoekers te weigeren. Voor een nadere belangenafweging, zoals verzoekers hebben aangevoerd, is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook geen plaats. De omstandigheid dat volgens verzoekers sprake is van een zwaarwichtig algemeen belang, omdat niet alleen verzoekers maar tevens 11 miljoen andere pensioengerechtigden financieel worden geraakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het verschoningsrecht in civiele zaken is immers een ongeclausuleerde grond om inzage te weigeren. De jurisprudentie biedt ook geen ook enkel aanknopingspunt voor de situatie dat zich “zeer uitzonderlijke omstandigheden” kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
3.12.
De conclusie is dan ook dat het beroep van de Staat op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv slaagt. De kantonrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
3.13.
Omdat het verzoek reeds op deze grond niet voor toewijzing in aanmerking komt, behoeft hetgeen de Staat verder nog heeft aangevoerd geen bespreking.
Verzoekers moeten de kosten van deze procedure betalen
3.14.
Omdat verzoekers ongelijk krijgen, moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de Staat betalen. Deze kosten worden begroot op € 677,00 (2 punten x tarief € 271,00 aan gemachtigdensalaris) + € 135,00 nakosten). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst het verzoek af,
4.2.
veroordeelt verzoekers in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als verzoekers niet tijdig aan die veroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend verzoekers ook de kosten van betekening betalen,
4.3.
veroordeelt verzoekers in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.

Voetnoten

1.De memorie van toelichting bij de Wtp geeft de volgende definitie van ‘invaren’: Het toepassen van de regels van een collectief gewijzigde pensioenovereenkomst op pensioenrechten en pensioenaanspraken die voorafgaand aan die wijziging zijn verworven. Dit gebeurt door middel van een zogenoemde interne collectieve waardeoverdracht (artikel 150m van de Pensioenwet). In het kader van deze stelselherziening worden de pensioenrechten en -aanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst gewaardeerd en omgezet in een voor het pensioen gereserveerd vermogen, respectievelijk een pensioenkapitaal. Het collectief invaren van deze pensioenaanspraken en pensioenrechten heeft tot doel om de bestaande pensioenen en de nieuwe pensioenopbouw bijeen te houden in één pensioenfonds.
2.Volgens vaste rechtspraak kan op opgebouwde pensioengelden een individueel eigendomsrecht rusten. Zie bijvoorbeeld EHRM 2 februari 2010, nr. 43430 (
3.HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, rov. 3.5.2.
4.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600 (SNS Reaal).