ECLI:NL:RBDHA:2025:21836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
09/219461-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld in Den Haag

Op 15 juli 2025 heeft de verdachte in Den Haag, terwijl het slachtoffer haar hond uitliet, de jonge vrouw gevolgd en haar met dwang en geweld verkracht. De verdachte heeft het slachtoffer seksueel betast, zijn vingers in haar vagina en anus gestopt en zijn penis tegen haar gezicht gehouden. De rechtbank heeft op 17 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was en dat er voldoende steunbewijs was voor de tenlastelegging. De verdachte ontkende de feiten, maar de rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer, ondersteund door DNA-bewijs en letselrapportages, overtuigend. De rechtbank concludeerde dat de verdachte wist dat het slachtoffer niet instemde met de seksuele handelingen, wat leidde tot de bewezenverklaring van opzetverkrachting, voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar legde een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, gezien de impact van de verkrachting op het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219461-25
Datum uitspraak: 17 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woon- of verblijfadres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T. Sönmez naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 15 juli 2025 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [aangeefster] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in en/of tegen de anus van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in en/of tegen de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) betasten van de borsten en/of de billen van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging door:
- zijn armen stevig om die [aangeefster] heen te slaan en/of die [aangeefster] stevig vast te pakken en/of
- die [aangeefster] te duwen en/of naar de grond te werken en/of
- (vervolgens) op die [aangeefster] te gaan zitten en/of
- zijn hand over de mond van die [aangeefster] te leggen en/of
- meermalen (in het Engels) tegen die [aangeefster] te zeggen “mag ik een kus?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 15 juli 2025 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [aangeefster] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tegen de anus van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tegen de vagina, althans tegen/tussen de schaamlippen, van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) betasten van de borsten en/of de billen van die [aangeefster] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
- zijn armen stevig om die [aangeefster] heen te slaan en/of die [aangeefster] stevig vast te pakken en/of
- die [aangeefster] te duwen en/of naar de grond te werken en/of
- (vervolgens) op die [aangeefster] te gaan zitten en/of
- zijn hand over de mond van die [aangeefster] te leggen en/of
- meermalen (in het Engels) tegen die [aangeefster] te zeggen “mag ik een kus?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De verdachte wordt - kort samengevat - verweten dat hij op 15 juli 2025 aangeefster [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) heeft verkracht, dan wel aangerand, in het [park] in Den Haag.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het seksueel binnendringen.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte met zijn vingers de anus en de vagina van [aangeefster] heeft aangeraakt. Van die onderdelen in de tenlastelegging moet de verdachte partieel worden vrijgesproken. Voor het overige kan het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de
bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
In de onderhavige zaak is sprake van een ontkennende verdachte. Volgens de verdachte hoorde hij [aangeefster] op enig moment in het park schreeuwen en zag hij haar op de grond liggen. Hij zou hebben geprobeerd [aangeefster] te helpen met opstaan, maar dat lukte niet. Vervolgens zou hij zijn weggegaan.
Bewijsminimum
Vooropgesteld wordt dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven
dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen:
het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In het geval dat de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen niet is vereist dat die handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende dat de verklaring van de aangever, als die betrouwbaar wordt bevonden, op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangever. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangever en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Betrouwbaarheid verklaring [aangeefster]
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [aangeefster] als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Zowel tijdens het informatief gesprek als tijdens haar aangifte heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over hetgeen heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet daarnaast in hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd geen reden om aan de betrouwbaarheid te twijfelen van de verklaring van aangeefster met betrekking tot de verkrachting.
De rechtbank acht de verklaring van [aangeefster] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [aangeefster] . De rechtbank beantwoordt deze vraagt bevestigend.
De verdachte heeft verklaard dat hij de persoon is geweest die op 15 juli 2025 in het [park] contact heeft gehad met [aangeefster] . Uit het rapport van het NFI volgt dat er op de linkerborst en op de wang van [aangeefster] een DNA-mengprofiel is aangetroffen. De waargenomen DNA-match van de verdachte is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het van een willekeurige onbekende persoon afkomstig is. Dit ondersteunt de verklaring van [aangeefster] dat de verdachte met zijn hand haar linkerborst ging knijpen, dat hij zijn hand over haar mond legde en dat zij op een later moment zijn penis tegen haar wang voelde. Gelet op de bewijswaarde van de resultaten van het DNA-onderzoek gaat de rechtbank ervan uit dat voornoemde aangetroffen DNA-sporen afkomstig zijn van de verdachte.
Voorts ondersteunt de letselbeschrijving zoals verwoord in het letselrapportage de verklaring van [aangeefster] . Zo zijn er onder andere krasverwondingen op haar bovenbeen en linkerknie en een verse blauwe plek onder de rechterknie geconstateerd. Uit het letselrapportage volgt dat dit letsel past bij geweldsinwerking vanuit de ondergrond. Dit ondersteunt de verklaring van [aangeefster] dat de verdachte van achter op haar sprong waardoor zij op haar knieën op de grond was gevallen en dat de verdachte haar van achter naar de grond duwde.
Het voorgaande maakt dat de verklaring van [aangeefster] op essentiële onderdelen bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, die bovendien niet in een te ver verwijderd verband met de verklaring bestaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, doet de omstandigheid dat de deskundigen op basis van de beschikbare bemonsteringen geen conclusies hebben kunnen trekken over de aanwezigheid van DNA in de vagina en de anus van [aangeefster] , daar niet aan af. Dit hoeft immers niet te betekenen dat geen penetratie heeft plaatsgevonden.
Gelet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] , de ondersteuning daarvan door onafhankelijke bevindingen in het dossier en de afwezigheid van contra-indicaties, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de juistheid van de handelingen die door haar zijn beschreven.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het hiervoor benoemde steunbewijs ongeloofwaardig en wordt als onaannemelijk terzijde geschoven. Bovendien biedt dit scenario geen enkele verklaring voor het aangetroffen DNA van de verdachte op de linkerborst en op de wang van [aangeefster] .
Verkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij
- al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.
Uit de verklaring van [aangeefster] volgt onomstotelijk dat er sprake is van duidelijke verbale en non-verbale signalen dat zij het seksuele contact niet op prijs stelt en dat de verdachte het contact toch heeft voortgezet. [aangeefster] heeft zich van meet af aan heeft verzet tegen de verdachte. Zij heeft geprobeerd de verdachte van haar af te duwen, geschreeuwd, gehuild en om hulp geroepen. Ook heeft zij in de vinger van de verdachte gebeten en in de Engelse taal tegen de verdachte gezegd: “Als je mij verkracht ga ik zelfmoord plegen.”.
Gelet op deze signalen vanuit [aangeefster] is van enig positieve wilsuiting dan ook geen sprake en kan de conclusie niet anders zijn dan dat verdachte wist dat bij [aangeefster] de wil daartoe ontbrak.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolg door dwang, geweld of bedreiging.
De verdachte heeft [aangeefster] onverhoeds van achteren besprongen en naar de grond geduwd. De verdachte is op [aangeefster] gaan zitten, heeft zijn hand op de mond van [aangeefster] gelegd en haar vastgehouden, terwijl zij probeerde weg te komen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, gekwalificeerde opzetverkrachting, wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op omstreeks 15 juli 2025 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger in de anus van die [aangeefster] en
- het brengen en bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en
- het betasten van de borst en de billen van die [aangeefster] en
- het brengen van zijn, verdachtes, penis tegen het gezicht van die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door
envergezeld van dwang
engeweld door:
- zijn armen stevig om die [aangeefster] heen te slaan en die [aangeefster] stevig vast te pakken en
- die [aangeefster] te duwen en naar de grond te werken en
- vervolgens op die [aangeefster] te gaan zitten en
- zijn hand over de mond van die [aangeefster] te leggen en
- meermalen in het Engels tegen die [aangeefster] te zeggen “mag ik een kus?".
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, nu hij vrijspraak van het primair ten laste gelegde heeft bepleit en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn jonge leeftijd, aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij heeft het slachtoffer, een jonge vrouw die in de avond haar hond in een park aan het uitlaten was, gevolgd om haar uiteindelijk middels dwang en geweld te verkrachten. Hij heeft het slachtoffer daarbij seksueel betast, zijn vingers in de vagina en de anus van het slachtoffer gestopt en zijn penis tegen het gezicht van het slachtoffer gehouden.
Verkrachting is een zeer ernstig feit en de verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft de belangen van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een verkrachting nog jarenlang last kunnen hebben van de psychische gevolgen daarvan. Deze verkrachting heeft bovendien plaatsgevonden op een openbare plek en de verdachte was voor het slachtoffer een wildvreemde. De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 31 oktober 2025. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte en zijn weigering om openheid te verschaffen over zijn seksualiteit, is het voor de reclassering niet mogelijk gebleken om factoren aan te wijzen welke mogelijk een relatie hebben met het aan hem ten laste gelegde gedrag. Vanwege het ontbreken van cruciale informatie heeft de reclassering geen gedegen risicotaxatie kunnen opmaken. Er lijken geen aanwijzingen van noemenswaardige problematiek bij de verdachte aanwezig. Hij is onder behandeling geweest voor opspelende psychische problematiek. In hoeverre dit eventueel een rol kan hebben gespeeld ten aanzien van onderhavige verdenking, is niet duidelijk geworden.
Het formuleren van een hulpverleningsaanbod middels een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden is volgens de reclassering niet geïndiceerd door de ontkennende proceshouding van de verdachte en zijn weigering om openheid te verschaffen. De verdachte heeft ook geen hulpvraag en geen binding met Nederland.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor over de ernst van het feit is overwogen, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd.
De rechtbank acht dan ook het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen straf is gegrond op artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
40 (VEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Tsjapanova, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. R. Wieringa, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2025.