ECLI:NL:RBDHA:2025:21791

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
11439185 \ RL EXPL 24-23483
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake agentuurovereenkomst tussen Contractcoach en Qwint B.V. met betrekking tot energieleveringsovereenkomsten

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Contractcoach en Qwint B.V. over de uitvoering van een agentuurovereenkomst. Contractcoach, een bemiddelaar in energieleveringsovereenkomsten, vorderde betaling van provisies die Qwint had ingehouden na de beëindiging van verschillende leveringscontracten. De rechtbank oordeelde dat de bepalingen in de overeenkomst die de provisie afhankelijk maakten van de uitvoering van de contracten nietig waren, omdat deze in strijd waren met de wet. De rechter stelde vast dat Qwint niet had aangetoond dat de beëindigingen van de contracten niet aan haar toerekenbaar waren, en dat Contractcoach recht had op de gevorderde provisies. Daarnaast werd Qwint veroordeeld tot betaling van een borgsom, een maandelijkse beloning en buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van Qwint in reconventie werden afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren. De proceskosten werden toegewezen aan Contractcoach.

Uitspraak

rRECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JvdB/d
Zaaknummer: 11439185 \ RL EXPL 24-23483
Vonnis van 6 november 2025
in de zaak van

1.DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA CONTRACTCOACH,

te Utrecht,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,

2. [derde-partij 1] ,

3. [derde-partij 2] ,

opgeroepen derden in het geding ex art. 118 Rv,
(mede) verwerende partijen in reconventie,
gemachtigde: mr. R.J. Versteeg,
tegen
QWINT B.V.,
te Hengelo,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. L.S. van Meurs.
Partijen worden hierna aangeduid als “Contractcoach”. “ [derde-partij 1] ”, “ [derde-partij 2] ” en “Qwint”.

1.De procedure in conventie en in reconventie

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 november 2024, met producties 1 tot en met 31;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie en verzoek tot oproeping derden in het geding ex artikel 118 Rv, met producties 1 tot en met 20, ingekomen ter griffie op 11 februari 2025;
- de rolbeslissing van 27 februari 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 32 tot en met 47;
- de akte overlegging nadere producties 21 tot en met 25 van de zijde van Qwint;
- de brief met nadere producties 48 en 49 van de zijde van Contractcoach, [derde-partij 1] en [derde-partij 2] .
1.2.
Op 8 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen de heer [derde-partij 1] en de heer [derde-partij 2] namens Contractcoach, bijgestaan door mr. R.J. Versteeg. Namens Qwint is de heer [naam 1] verschenen, bijgestaan door mr. L.S. van Meurs. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden, evenals de aan de zijde van beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
1.3.
Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1.
Contractcoach verricht (bemiddelings)werkzaamheden voor Qwint ter zake van het tot stand komen van energieleveringsovereenkomsten (hierna: de Leveringsovereenkomsten) tussen enerzijds Qwint als leverancier van gas en elektriciteit en anderzijds de afnemers daarvan.
2.2.
In het kader van die werkzaamheden hebben partijen op 19 november 2018 een partnerovereenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst) voor de duur van 18 maanden, op grond waarvan Contractcoach voor elke door haar aangebrachte afnemer provisie ontvangt. In de Overeenkomst staat, voor zover in deze procedure van belang, het volgende:

7. Vergoeding

7.1
Uitbetaling vergoeding
ContractCoach kan uit hoofde van de door ContractCoach verleende diensten onder deze Overeenkomst eerst aanspraak maken op een vergoeding indien Qwint Energie de Eindafnemer heeft geaccepteerd en de Leveringsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. De vergoeding zoals gespecificeerd in
Bijlage IIvoor de diensten onder deze Overeenkomst, zal eerst en telkenmale na ontvangst van gespecificeerde factuur daartoe door Qwint Energie op de bankrekening van ContractCoach worden voldaan op het eerste van de volgende twee momenten: hetzij binnen 14 dagen na factuurdatum, hetzij op de 21ste dag van maand, of op de eerstvolgende werkdag indien deze 21ste dag in het weekeinde en/of op een algemeen erkende feestdag valt, volgende op de maand waarin de Leveringsovereenkomst tot stand is gekomen. De specificaties waaraan de factuur in ieder geval dient te voldoen, zijn weergegeven op Bijlage IV.
7.2.
Verrekening vergoeding
Qwint Energie behoudt zich het recht voor om nacalculatie toe te passen op basis van werkelijke verbruiken van Eindafnemers na het betreffende kalenderjaar. Indien Qwint Energie hierin meer vergoeding heeft uitgekeerd aan CC B.V. dan de verschuldigde vergoeding, is Qwint Energie gerechtigd te veel uitgekeerde vergoeding te verrekenen met lopende of toekomstige vergoedingen. Indien niet wordt verrekend, dient CC B.V. binnen 14 dagen na schriftelijk verzoek vanuit Qwint Energie de betreffende vergoeding te worden terugbetaald.
7.3
Voortijdige beëindiging Leveringsovereenkomst van Afnemer
7.3.1
Ingeval een meerjarige Leveringsovereenkomst om welke reden dan ook eindigt binnen 12 maanden na aanvang levering, komt CC B.V. geen vergoeding toe en zal reeds ten aanzien van deze Leveringsovereenkomst betaalde vergoeding aan CC B.V. volledig moeten worden terug betaald, dan wel worden verrekend. Ingeval een 12 maanden Leveringsovereenkomst om welke reden dan ook eindigt binnen 6 maanden na aanvang levering, komt CC B.V. geen vergoeding toe en zal reeds ten aanzien van deze Leveringsovereenkomst betaalde vergoedingen aan CC B.V. volledig moeten worden terug betaald, dan wel worden verrekend.
7.3.2
Ingeval een meerjarige Leveringsovereenkomst na 12 maanden na aanvang doch voor de overeengekomen looptijd om welke reden dan ook voortijdig eindigt, zullen reeds ten aanzien van deze Leveringsovereenkomst betaalde vergoedingen aan CC B.V. op basis van her-calculatie, door CC pro rata aan Qwint Energie dienen te worden terugbetaald, dan wel te worden verrekend.
2.3.
De op basis van de Overeenkomst verschuldigde vergoedingen zijn nader uitgewerkt in Bijlage II bij de Overeenkomst:
ContractCoach heeft recht op vergoeding indien de aangebrachte klant is geaccepteerd doormiddel van een geretourneerde Leveringsovereenkomst aan Qwint Energie.
De te ontvangen vergoeding zal op maandelijkse basis worden gecommuniceerd richting «Naam». De opgave van de afgesloten contracten in de voorgaande maand zal zo spoedig mogelijk na afronding van de kalendermaand worden verstrekt. Na ontvangst van de pro-forma berekening op basis van de afgesloten contracten en correcties kan ContractCoach na controle de factuur opstellen, conform de opgave in Bijlage IV, en versturen aan Qwint Energie. De factuur zal moeten worden voorzien van een inkoopordernummer (PO-nummer) die door Qwint Energie zal worden verstrekt. De betaling zal op de 21e van de maand plaatsvinden of de eerst volgende werkdag, indien de factuur correct is ontvangen door Qwint Energie.
De vergoeding zal volgens onderstaande specificatie worden uitbetaald.
Het direct te ontvangen bedrag zal 70% over de vergoeding bedragen, berekend op basis van het standaard jaarverbruik geraadpleegd uit EDSN (SJV) en de gehanteerde vergoeding eventueel aangevuld met een aandeel van het vastrecht.
De resterende vergoeding zal naar rato van de totale looptijd in het eerste kwartaal van een volgend kalenderjaar worden uitbetaald, waarbij de levering dus minimaal 12 maanden heeft doorlopen door middel van berekening over het werkelijke verbruik. Indien het SJV duidelijk afwijkt van de realisatie zal er een herberekening plaatsvinden.
2.4.
Per e-mail van 24 februari 2022 stuurt Qwint – voor zover hier relevant – het volgende bericht aan Contractcoach met als onderwerp: “
tijdelijke pauze”:
Beste Partner,
De huidige marksituatie is erg onstuimig en ondervindt veel invloed van de situatie in Oekraïne. Om deze reden hebben wij besloten om op dit moment de focus te behouden op de huidige klantenportefeuille en zullen we tijdelijk geen nieuwe klanten en verlengingen aannemen. De reeds ingediende aanvragen zullen door ons worden verwerkt. Deze beslissing zal per direct in werking treden.
(…)
We zullen per week beoordelen of de pauze nog noodzakelijk is, waarbij we jullie uiteraard op de hoogte houden bij wijzigingen. (…)
2.5.
Op 11 augustus 2022 verstuurt Qwint – voor zover hier relevant – de volgende e-mail met als onderwerp “
ACM – SPOT producten” aan Contractcoach:
Beste partner,
Bij deze wil ik je informeren over de huidige situatie van onze klanten met een spot-product:
Zoals aangegeven, hebben wij onze klanten gisteren geïnformeerd over hun nieuwe termijnbedragen. Bij de klanten met variabele prijzen hebben wij de voorschotbedragen per eenheid verhoogd naar de gemiddelde prijs van de afgelopen drie maanden, om daarmee dichter bij de realiteit van de markt te komen.
Nu is gebleken dat de verhoging voor een aantal van onze klanten een financieel probleem oplevert en wordt er aangegeven dat zij het voorschot niet langer kunnen betalen.
Naast de financiële impact op onze spot-klanten is er vanuit de ACM gecommuniceerd dat wij niet langer spot producten met een vaste einddatum mogen hanteren; ook een opzegvergoeding mogen wij hiervoor niet in rekening brengen.
Deze beslissing vanuit de ACM heeft ook logischerwijs impact op jullie contracten.
Door de samenkomst van deze twee hebben wij een lastige beslissing moeten maken en hebben wij besloten dat wanneer klanten niet langer het voorschot kunnen betalen, wij aangeven dat zij zonder opzegvergoeding op zoek kunnen gaan naar een andere leverancier waar ze goedkoper uit zijn. Dit geldt voor zowel klanten die zich bij ons melden, als klanten met openstaande posten. Wij zullen hierin wel een nuance maken en klanten alleen benaderen met lang openstaande posten, en die geen facturen in dispuut hebben.
Wij begrijpen dat dit mogelijk impact heeft op jouw klantportfolio, echter dienen wij de ACM te volgen en moeten wij onze risico’s ook verminderen ten opzichte van niet-betalende klanten.
Uiteraard willen wij wel met jullie meedenken en zullen wij er zorg voor dragen dat jullie pro rata uitgekeerd worden voor de vertrekkende spot-klanten. (…)
2.6.
Op 8 december 2022 is door de ACM verscherpt toezicht ingesteld naar Qwint omdat er achterstanden bleken te zijn in het uitsturen van jaar- en eindafrekeningen en Qwint heeft aangegeven te willen stoppen als energieleverancier.
2.7.
In de jaarstukken van Qwint over 2021-2022 staat – voor zover hier relevant – het volgende:
Disclosure of going concern
UGI Corporation has announced that following a strategic review of the Energy Marketing segment in Europe, of which the company forms a part, it intends to change course. UGI Corporation decided on 17 November 2022 to voluntarily discontinue some of her European operations, including the operations within Qwint, at the end of current customer contracts. (…)
2.8.
Op 14 maart 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Contractcoach en Qwint. Door Qwint is een gespreksverslag opgesteld. Daarin staat onder meer het volgende:
Aanwezig: [derde-partij 1] (lntermedio), [derde-partij 2] (lntermedio), [naam 2] ( [bedrijfsnaam 1] ).
lntermedio vroeg wanneer wij weer eindafrekeningen en jaarafrekeningen gingen sturen. Wij hebben aangegeven dat we door de overheidsmaatregelen aanpassingen hebben moeten doen in het systeem en daar nog hard mee bezig zijn voor wij weer jaar- en eind rekeningen kunnen sturen. Ze vroegen om een datum en wij hebben aangegeven dat we vanwege de complexiteit van alle maatregelen nog geen datum naar klanten willen communiceren. Daarop was de vraag of wij akkoord konden gaan dat alle klanten hun overige rekeningen niet meer hoefden te betalen tot dit was opgelost. Daar zijn wij vanzelfsprekend niet mee akkoord gegaan. Wel begrijpen we dat er klanten zijn die denken teveel aan voorschotten te hebben betaald, maar dat kan alleen als er een duidelijke daling in verbruik is aan te wijzen. Om die reden gaan ze een lijst met 120 klanten opsturen, waar wij naar kijken of er klanten tussen zitten met zo'n duidelijke daling, zodat we daar iets voor kunnen afspreken.
Vervolgens begon lntermedio een discussie over vertrekkende klanten. Wij hebben aangegeven dat de ACM ons op de-vingers heeft getikt en dat wij geen boete meer in rekening mogen brengen bij klanten die vertrekken met een SPOT contract. Intermedio ziet dat concurrenten daar op inspringen en klanten weghalen. We hebben in een eerder stadium aan Intermedio aangegeven dat we om die reden akkoord zijn als Intermedio klanten die weg lijken te gaan, zelf weg switcht, zodat Intermedio in ieder geval nog een marge kunnen blijven maken op die klanten. Het teveel betaalde voorschot moet dan wel aan ons worden terug betaald. Gerealiseerde marge wordt conform afspraak 50/50 verdeeld.
Intermedio heeft geen gebruik gemaakt van de handreiking van ons om hun klanten in ieder geval voor hunzelf te behouden en wilde dat nu ook niet doen.
Daarvoor in de plaats begonnen ze te stellen dat schade die door verlies van klanten ontstaat op ons verhaald zou worden. Bovendien hadden wij volgens hun het recht niet om clawbacks in rekening te brengen. En alhoewel de feiten hier volstrekt anders liggen, kreeg ik de indruk door wat ze zeiden dat ze contact hebben met S4Y.
Tot slot wilden ze de 90k Euro clawback die uit de feelijst blijkt niet betalen. Daarvan hebben wij aangegeven dat we daarvoor ook helemaal geen rekening hebben gestuurd omdat de lijst eerst gezamenlijk gecontroleerd moet worden. Voor die controle of uitleg stonden ze niet open. Daarvoor in de plaats gaven ze aan een streep te willen zetten onder de samenwerking met een eindafrekening naar elkaar toe, waarbij ze het weer hadden over schade door onze nalatigheid. Wij hebben aangegeven dat het belangrijk is de lijst door te nemen en dat we graag de details willen bespreken. Zo is er verwarring aan hun kant over de term 'schatting'. Een inhoudelijke discussie hierover was echter niet mogelijk.
2.9.
Bij brief van 22 mei 2024 heeft (de gemachtigde van) Contractcoach Qwint – voor zover hier relevant – als volgt bericht:
Belangrijk is het volgende. Vanaf enig moment (vanaf 1juni 2021) is Qwint gaan ‘morrelen’
aan de provisiebetalingen die aan ContractCoach moesten worden gedaan en is zij (op
basis van de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Overeenkomst eigenmachtig bedragen gaan
verrekenen). Vervolgens heeft Qwint overzichten gestuurd aan ContractCoach, waarin zij
steeds meer beëindigingen van Leveringsovereenkomsten heeft verwerkt. Status quo op
dit moment is dat geen enkele Leveringsovereenkomst nog actief zou zijn. Qwint heeft nooit
onderbouwd de Leveringsovereenkomsten wel werkelijk zijn beëindigd en nimmer en
verklaring gegeven waarom de betreffende Leveringsovereenkomsten zouden zijn
beëindigd (niet, althans niet volledig, zijn uitgevoerd). Let wel: het gaat hier telkens om
individuele Leveringsovereenkomsten, zodat per zodanige overeenkomst een zodanige
onderbouwing door Qwint moet worden verstrekt.
(…)
De artikelen 7.3.1 en 7.3.2 zijn, zo weet Qwint inmiddels uit voornoemde uitspraak van de
kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, bovendien nietig:
(…)
Terugvragen of verrekenen van provisie mag alleen als dat is afgesproken. En dan alleen
in beperkte gevallen:
(…)
Bij de hiervoor onder (5) genoemde vragen, gaat het om belangrijke vragen, die moeten
worden beschouwd in relatie tot de verhouding tussen partijen (agent-principaal). Want als
het door ContractCoach komt sprake is van beëindigingen van Leveringsovereenkomsten,
dan moet dat ergens uit blijken. Maar als sprake is van omstandigheden die in de risicosfeer
van Qwint liggen, dat er zoveel Leveringsovereenkomsten zijn geëindigd, dan moet Qwint
de volledige provisie betalen over dergelijke aansluitingen, ook als de klant weg is, zo kan
uit de hiervoor bedoelde uitspraak van de Haagse rechtbank wel worden opgemaakt.
Van (ieder van) de Leveringsovereenkomsten die zouden zijn beëindigd, tast
ContractCoach in het duister ten aanzien van de redenen die aan die individuele
beëindigingen ten grondslag liggen. Qwint hier hierover nooit enige toelichting over
verstrekt. Reeds gelet op het vertrek van Qwint van de Nederlandse markt en de vele
interne problemen waarmee Qwint de afgelopen jaren het nieuws heeft gehaald (onder
meer haar onvermogen om afnemers van juiste facturen en afrekeningen te voorzien en
totale onbereikbaarheid van haar organisatie), is er reden te veronderstellen dat alle
beëindigingen vanaf 1 juni 2022 sowieso in de risicosfeer vallen van Qwint. Daar komt bij
dat Qwint afnemers op enig moment maar gewoon heeft laten vertrekken en daar zelfs
bewust op heeft aangestuurd. In gesprekken tussen Qwint en ContractCoach, laatstelijk in
maart 2023 is extensief door ContractCoach aangegeven waar de schoen bij Qwint wringt.
N.B. ContractCoach behoudt zich het recht voor om voornoemde datum, die puur als
praktisch vertrekpunt is gekozen, op een later tijdstip nog verder te nuanceren, in die zin
dat ook beëindigingen van voor dat moment ter discussie zullen worden gesteld.
De beëindiging van de Leveringsovereenkomsten vanaf 1juni 2021 worden in ieder geval
door ContractCoach betwist, in die zin dat niet blijkt van enige verklaring rondom de oorzaak van die (individuele) beëindigingen.
ContractCoach betwist (a) dat de Leveringsovereenkomsten wel werkelijk zijn beëindigd
en, als dat al zo zou zijn, (b) dat de niet-uitvoering van deze Leveringsovereenkomsten niet
aan Qwint toerekenbaar zou zijn. De specifieke achtergrond van beëindiging van
Leveringsovereenkomsten is relevant voor de vraag of die beëindiging niet aan Qwint
toerekenbaar is en dus of Qwint terecht provisie terugvraagt, danwel of zij aanvullende
provisie verschuldigd is. Al hierom moet Qwint die redenen op aansluitniveau aantonen.
Dat moet zij op grond van de agentuurrekening (art. 7:426 lid 2 BW), maar ook op grond
van de rechtspraak van de Hoge Raad. De gegevens op grond waarvan de provisierechten
van ContractCoach moeten worden berekend, bevinden zich bovendien in het domein van
Qwint. (…)
(…)
ContractCoach heeft de waarde van de Overeenkomst — op provisieniveau — becijferd in
bijlage 1. Hiermee biedt ContractCoach een totaaloverzicht van alle aansluitingen die
ContractCoach heeft aangebracht. Voor onderhavige brief doet ContractCoach de
aanname dat alle door ContractCoach aangebrachte Leveringsovereenkomsten inmiddels
zijn geëindigd, rekening houdend met de mededelingen op dit punt op de website van
Qwint, waaruit volgt dat zij haar activiteiten aan het beëindigen is.
Wanneer voor nu (a) de beëindigingen van Leveringsovereenkomsten voor 1juni 2021 niet
ter discussie worden gesteld en (b) — bij gebrek aan enige verifieerbare onderbouwing door
Qwint terzake op aansluitniveau — de gestelde beëindigingen na die datum wél, terwijl ook
tot vertrekpunt wordt genomen dat (c) alle door ContractCoach aangebrachte
Leveringsovereenkomsten zijn beëindigd, dan leidt dat tot een totale provisiewaarde van
€ 1.817.369 exclusief BTW (zie bijlage 1, cel U). Daarbij is dus het uitgangspunt dat —
zolang niet blijkt dat de beëindigingen van Leveringsovereenkomsten vanaf 1juni 2021 niet
aan Qwint toerekenbaar zijn, op welk punt Qwint ex art. 7:426 lid 2 BW de hiervoor
aangehaalde bewijslast draagt (op aansluitniveau, voor ieder van de
Leveringsovereenkomsten waarvan Qwint zou stellen dat de beëindiging niet aan haar
toerekenbaar is) — ContractCoach haar provisierecht behouden heeft.
In totaal heeft ContractCoach onder de Overeenkomst een bedrag van € 1.053.581,23
exclusief BTW van Qwint ontvangen. Per saldo dient Qwint dus nog een bedrag van
(€ 1.817.369 - € 1.053.581,23 =) € 763.787,77, exclusief BTW aan ContractCoach te
betalen, derhalve € 924.183,20 inclusief BTW.
(…)
2.10.
Bij brief van 19 juni 2024 heeft (de gemachtigde van) Qwint op deze brief gereageerd:
(…) Hieruit volgt dat van de 3.030 aangemelde aansluitingen de reden van (voortijdige) beëindiging bekend is. In veruit de meeste gevallen is dit reeds ook aan uw cliënten gemeld. Qwint kan dit aan de hand van verificatoire bescheiden aantonen. Hetgeen u (daarom) stelt onder paragraaf 10 en 11 van uw bovengenoemde brief is daarom pertinent onjuist. Voorts volgt hieruit dat slechts in 95 van de 3.030 gevallen het stopzetten van de levering (mogelijk) verband houdt met het staken van de activiteiten van Qwint. Overigens is uw cliënten dit reeds in april 2023 medegedeeld en heeft zij al die tijd gelegenheid gehad alle aangebrachte afnemers (opnieuw) te bemiddelen en hi ervoor provisie te verkrijgen bij een concurrerende leverancier. Voor zover er dus al aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding, is er niet voldaan aan de schadebeperkingsplicht en is er sprake van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW.
Bovendien volgt uit een analyse van slechts 19 aansluitingen met het volgens uw cliënten grootste opgegeven SJV dat dit SJV in 18 van de 19 gevallen (veel) lager was dan opgegeven en er over deze 19 aansluitingen dus alleen al een bedrag van € 88.035,65 te veel voorschotprovisie is betaald. (…)

3.Vorderingen, grondslagen en verweren

In conventie:
3.1.
Contractcoach vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht:
a. dat de overeenkomst een agentuurovereenkomst is in de zin van artikel 7:428 BW;
b. dat de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Overeenkomst nietig zijn;
c. dat Qwint ex artikel 6:74 BW toerekenbaar jegens Contractcoach is tekortgeschoten in de nakoming van haar diverse verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst;
d. dat Qwint de in artikel 7.1 (en Bijlage II) van de overeenkomst genoemde (Rest)provisie per aansluiting dient te betalen, ook voor wat betreft (voortijdig) beëindigde aansluitingen/Leveringsovereenkomsten, voor zover Qwint ten aanzien van enige als beëindigd genoteerde Leveringsovereenkomst geen beroep toekomt op de tenzij-regeling als bedoeld in artikel 7:426 lid 2 BW;
e. dat Qwint ten aanzien van alle Leveringsovereenkomsten, die door Qwint vanaf 1 juni 2021 als (voortijdig) beëindigd zijn opgenomen naast de Aanvaardingsvergoeding ook de Restvergoeding over deze Leveringsovereenkomsten integraal aan Contractcoach moet voldoen, voor zover Qwint ten aanzien van enige als beëindigd genoteerde Leveringsovereenkomst geen beroep toekomt op de tenzij-regeling als bedoeld in artikel 7:426 lid 2 BW;
f. dat Qwint aan Contractcoach verschuldigd is een beloning als bedoeld in artikel 7:435 BW; en
g. dat Qwint aan Contractcoach verschuldigd is een klantenvergoeding als bedoeld in artikel 7:442 BW.
2. Qwint te veroordelen tot betaling aan Contractcoach van een provisievergoeding (over de tot 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten) ter grootte van € 18.078,59 exclusief BTW (€ 21.875,09 inclusief BTW), althans ter grootte van een bedrag dat zal worden vastgesteld op een door de kantonrechter in goede justitie te begroten bedrag, althans op een bedrag nader vast te stellen en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 23 oktober 2018, althans 11 december 2018, althans 1 januari 2019, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, althans vanaf het moment van betekening van de dagvaarding;
3. Qwint te veroordelen tot betaling aan Contractcoach van de (Rest)provisievergoeding (over de vanaf 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten) ter grootte van primair €750.936,77 exclusief BTW (€ 908.633,49 inclusief BTW), althans subsidiair € 729.802,77 exclusief BTW (€ 883.061,35 inclusief BTW), althans meer subsidiair € 692.664,77 exclusief BTW (€ 838.I24,37 inclusief BTW), althans ter grootte van een bedrag dat zal worden vastgesteld door een door de kantonrechter te benoemen deskundige, althans dat zal worden vastgesteld op een door de kantonrechter in goede justitie te begroten bedrag, althans nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, alle bedragen te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, per afzonderlijke Leveringsovereenkomst te rekenen vanaf het moment dat Qwint als beëindigingsdatum voor iedere zodanige afzonderlijke Leveringsovereenkomst heeft genoteerd, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, althans vanaf 1 april 2024 (de datum waarop Qwint van de energiemarkt vertrokken is), althans vanaf het moment van betekening van de dagvaarding;
4. Qwint te veroordelen tot betaling van de ter grootte van de borg ad € 11.729,92 exclusief
BTW (€ 14.193,20 inclusief BTW), te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen
met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel
6:119 BW vanaf 1 april 2024 (de datum waarop Qwint van de energiemarkt vertrokken is),
althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, althans vanaf het moment van betekening van de dagvaarding;
5. Qwint te veroordelen tot betaling aan Contractcoach van een maandelijkse beloning ex artikel 7:435 lid 1 BW, door Qwint aan Contractcoach te betalen over de periode vanaf 24 februari 2022 althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen moment, tot aan het moment dat op rechtsgeldige wijze een einde zal zijn gekomen aan de tussen partijen gesloten Overeenkomst, althans over een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen periode, ter grootte van primair € 36.093,- exclusief BTW (€ 43.672,- inclusief BTW), althans subsidiair € 35.561,- exclusief BTW (€ 43.028,- inclusief BTW), althans meer subsidiair € 34.609,- exclusief BTW (€ 41.876,- inclusief BTW), althans ter grootte van een (maandelijks) bedrag dat (met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:435 lid 2 BW) zal worden vastgesteld door een door de kantonrechter te benoemen deskundige, althans welk bedrag zal worden vastgesteld op een door de kantonrechter in goede justitie te begroten bedrag, althans op een bedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor iedere sinds 24 februari 2022 verstreken maand, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover sinds het moment van betekening van de dagvaarding, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;
6. Qwint te veroordelen tot betaling aan Contractcoach van een vergoeding ex artikel 7:442 BW, ter grootte van een bedrag dat zal worden vastgesteld door een door de kantonrechter te benoemen deskundige, althans een door de kantonrechter in goede justitie te begroten bedrag, althans nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover sinds het moment van betekening van de dagvaarding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;
7. Qwint te veroordelen tot vergoeding aan Contractcoach van de door Contractcoach geleden schade als gevolg van haar tekortschieten in de nakoming van de diverse verplichtingen van Qwint uit hoofde van de Overeenkomst, voor zover vergoeding van die schadeposten niet reeds zijn begrepen onder de hiervoor sub (2) tot en met (6) bedoelde vorderingen, voor zover die vorderingen door de kantonrechter toewijsbaar zijn geoordeeld, welk schadebedrag nader is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover sinds het moment van betekening van onderhavige dagvaarding, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;
8. Qwint te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten te begroten volgens het Besluit normering buitengerechtelijke incassokosten;
9. Qwint te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf de 15e dag van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, eveneens vermeerderd met de nakosten voor een bedrag van € 135,-, danwel indien betekening plaatsvindt een bedrag van € 225,-.
3.2.
Aan haar vordering legt Contractcoach – samengevat – het volgende ten grondslag.
De tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 e.v. BW. Op grond van artikel 7:430 lid 1, 2 en 3 BW is de principaal (in dit geval Qwint) gehouden om zich als een goed principaal te gedragen. Qwint mag niet handelen in strijd met het gezamenlijk belang van partijen onder de leveringsovereenkomst, namelijk het zo lang mogelijk aangesloten houden van alle aangebrachte leveringsovereenkomsten. Qwint heeft gehandeld in strijd met die zorgplicht. In 2022 is Qwint onder verscherpt toezicht van de ACM gekomen er achterstanden bleken te zijn in het uitsturen van jaar- en eindafrekeningen en Qwint had besloten de markt te willen verlaten. Qwint is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ex artikel 6:74 BW door beëindiging van de leveringsovereenkomsten aan te moedigen of te faciliteren. Dit is een onomkeerbare tekortkoming (de klant is immers weg) die Qwint direct in verzuim brengt onder de overeenkomst (artikel 6:80 lid 1 sub c BW).
De agent (in dit geval Contractcoach) heeft op grond van artikel 7:431 lid 1 sub a BW recht op provisie voor de Leveringsovereenkomsten die tijdens de duur van de overeenkomst door tussenkomst van de agent (Contractcoach) tot stand zijn gekomen. Vanaf juni 2021 is Qwint gaan ‘morrelen’ aan de provisiebetalingen die aan Contractcoach moesten worden gedaan en is zij op basis van de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de overeenkomst grote bedragen gaan verrekenen (clawback). Contractcoach stelt zich op het standpunt dat de bepalingen in artikel 7.3.1 en 7.3.2 van de partnerovereenkomst nietig zijn en dat Qwint dus ten onrechte is gaan verrekenen. De provisie is dwingendrechtelijk verschuldigd over de in uitvoering genomen overeenkomsten, tenzij de niet-uitvoering of gedeeltelijke niet-uitvoering niet aan haar als principaal kan worden toegerekend (artikel 7:426 lid 2 BW). Contractcoach stelt zich op het standpunt dat Qwint zich alleen succesvol kan beroepen op een beding als bedoeld in artikel 7:426 lid 2 jo. 7:432 lid 2 en lid 3 BW wanneer zij bewijst dat de niet-uitvoering van de overeenkomst niet aan haar toerekenbaar is. Qwint moet derhalve bewijzen waarom een Leveringsovereenkomst uiteindelijk is beëindigd. Contractcoach stelt zich ten aanzien van de beëindigingen tot en met mei 2021 op het standpunt dat Qwint voor een deel van die beëindigingen teveel provisie heeft teruggenomen, waar leveringsovereenkomsten wel enige tijd hebben gelopen en er daarom pro rato naar de looptijd van zodanige Leveringsovereenkomsten een provisierecht van Contractcoach bestaat. In dat kader maakt Contractcoach dan ook aanspraak op een bedrag van
€ 18.078,59.
Voor wat betreft de nieuwe beëindigingen die Qwint heeft verwerkt vanaf juni 2021 geldt dat Contractcoach die beëindigingen allemaal betwist. Contractcoach stelt zich op het standpunt dat Qwint gelet op de regeling van artikel 7:426 lid 2 BW over alle Leveringsovereenkomsten die door Qwint als beëindigd zijn genoteerd vanaf 1 juni 2021, ook over de als beëindigd genoteerde leveringsovereenkomsten zowel de aanvaardingsvergoeding als de restvergoeding aan Contractcoach verschuldigd is, voor zover haar geen beroep toekomt op de tenzij-regeling als bedoeld in artikel 7:426 lid 2 BW.
Contractcoach maakt ik dat kader primair aanspraak op een (rest)vergoeding ter hoogte van € 750.936,77 exclusief btw (€ 908.633,49 inclusief btw).
Op 24 februari 2022 heeft Qwint besloten om geen nieuw aan te brengen Leveringsovereenkomsten van Contractcoach meer te aanvaarden. Contractcoach werd hierdoor overvallen. Qwint is van de ene op de andere dag gestopt met het betalen van vergoedingen en ook schortte zij eenzijdig de overeenkomst op. Het gevolg van het handelen door Qwint is dat zij Contractcoach feitelijk heeft verhinderd omzet te maken (provisie te genereren). Contractcoach heeft primair recht op de beloning zoals bedoeld in artikel 7:435 lid 1 BW.
Contractcoach was bereid haar verplichtingen uit de Overeenkomst na te komen, maar Qwint heeft geen of in aanzienlijk mindere mate gebruik gemaakt van de diensten van Contractcoach. Subsidiair is de onterechte opschorting van de Overeenkomst te kwalificeren als een wanprestatie van Qwint ex artikel 6:74 BW. Deze wanprestatie verplicht Qwint tot vergoeding van de schade die Contractcoach als gevolg van dat tekortschieten heeft geleden.
Qwint heeft onder de noemer ‘onterechte switches’ diverse verrekeningen gedaan en bedragen ingehouden op de provisie van Contractcoach, waaronder een ‘borg’ van € 11.729,95. Qwint heeft niet onderbouwd waarom dat bedrag is ingehouden/ verrekend. Contractcoach stelt zich dan ook op het standpunt dat het bedrag ten onrechte is ingehouden.
Tevens bestaat een aanspraak op de klantenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:442 BW. Aan de vereisten voor het recht op een klantenvergoeding is voldaan.
Contractcoach heeft het nodige gedaan om Qwint te bewegen tot betaling. Contractcoach heeft brieven gestuurd en er zijn ook besprekingen geweest, maar zonder resultaat. Qwint is daarom de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.3.
Qwint heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Contractcoach, met veroordeling van Contractcoach in de kosten van het geding.
Qwint stelt zich – samengevat – op het standpunt dat zij op grond van artikel 7.3.1 van de Overeenkomst gerechtigd is terugbetaling te vorderen van de door haar ten onrechte aan Contractcoach betaalde provisie. Dit artikel kwalificeert als een beding in de zin van artikel 7:432 lid 2 BW, aangezien het recht op provisie afhankelijk is gesteld van de uitvoering van de Overeenkomst. Qwint betwist dan ook dat de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 nietig zijn. Voor zover de afspraken dat de provisie afhankelijk is van de uitvoering van de bemiddelde overeenkomsten verder strekken dan wettelijk is toegestaan, dan geldt dat deze afspraken op grond van artikel 3:42 BW zoveel als mogelijk dienen te worden geconverteerd in geldige bepalingen en partijen op grond van artikel 10.3 van de samenwerkingsovereenkomst verplicht zijn nieuwe afspraken te maken over een geldige bepaling waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijke bedoeling van partijen.
Qwint stelt zich verder op het standpunt dat uit het excelbestand dat zij heeft opgesteld volgt dat de beëindigingen van de leveringsovereenkomsten niet aan haar kunnen worden toegerekend in de zin van artikel 7:426 lid 2 BW.
Qwint betwist dat zij gehouden is een bedrag van € 18.078,59 exclusief btw aan Contractcoach terug te betalen, omdat Contractcoach in verzuim is om met Qwint andersluidende afspraken te maken en Qwint bovendien een beroep op verrekening toekomt omdat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij reeds meer provisie heeft betaald dan zij aan Contractcoach verschuldigd is.
Vanwege de toekomstige staking van haar activiteiten heeft Qwint Contractcoach reeds in februari 2022 aangeboden eindafnemers te benaderen voor leveringsovereenkomsten met andere leveranciers.
Mocht er al enige verplichting tot vergoeding van schade op Qwint rusten dan dient op grond artikel 6:100 BW het voordeel dat Contractcoach heeft genoten in rekening te worden gebracht, dan wel op grond van artikel 6:98 BW in de schadebegroting te worden meegenomen. Ook stelt Qwint dat sprake is van eigen schuld aan de kant van Contractcoach.
Qwint doet verder een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Qwint stelt zich voorts op het standpunt dat aan de vereisten voor het verkrijgen van de beloning op grond van artikel 7:435 BW niet is voldaan en voor zover er al aanspraak zou zijn op een beloning in de zin van dat artikel geldt dat die vergoeding slechts over een termijn van vier maanden, namelijk tot 1 juli 2022, verschuldigd is.
Verder is aan de vereisten voor het verkrijgen van de klantenvergoeding in de zin van artikel 7:442 BW niet voldaan.
In reconventie:
I. Contractcoach te veroordelen aan Qwint te betalen een geldsom van:
primair:
€ 46.957,36 exclusief BTW, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de datum van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening; of
subsidiair:
€ 34.832,35 exclusief BTW, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de datum van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;
II. na (verlof tot) oproeping van [derde-partij 1] en [derde-partij 2] als derden in onderhavig geding ex artikel 118 Rv, [derde-partij 1] en [derde-partij 2] ieder hoofdelijk, in de zin dat de één betalende, de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan Qwint te betalen een geldsom van:
primair:
€ 46.957,36 exclusief BTW, of een door de kantonrechter te bepalen geldsom, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de datum van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening; of
subsidiair:
€ 34.832,35 exclusief BTW, of een door de kantonrechter te bepalen geldsom, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de datum van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;
III. Contractcoach te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de datum van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. na (verlof tot) oproeping van [derde-partij 1] en [derde-partij 2] als derden in dit geding ex artikel 118 Rv, [derde-partij 1] en [derde-partij 2] ieder hoofdelijk, in de zin dat de één betalende, de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, alsmede de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv vanaf de dag dat zij na betekening van het vonnis met de voldoening in verzuim is, tot aan de dag der algehele voldoening.
3.4.
Ter onderbouwing van haar reconventionele vordering stelt Qwint zich op het standpunt dat zij aan Contractcoach te veel voorschotprovisie heeft betaald, omdat het Standaardjaarverbruik (SJV) op de aansluitingen in werkelijkheid veel lager was dan door Contractcoach was opgegeven. Hierdoor werden de aanbrengvergoeding en de restvergoeding (oftewel de provisie) veel te hoog berekend. Qwint verwijst in dit verband naar een excelsheet en stelt aan de hand daarvan dat het gemiddelde waar Contractcoach mee heeft gerekend hoger ligt dan het daadwerkelijke gemiddelde verbruik van alle eindverbruikers.

4.De beoordeling

In conventie:
Agentuurovereenkomst
4.1.
Vast staat dat de overeenkomst kwalificeert als een agentuurovereenkomst die voor onbepaalde tijd gold.
Provisie
4.2.
Verder staat vast dat Contractcoach in totaal 3.030 aansluitingen voor Qwint heeft bemiddeld, dat die aansluitingen en Leveringsovereenkomsten in uitvoering zijn genomen en dat al die aansluitingen (voortijdig) zijn beëindigd. Partijen verschillen van mening over de vraag of Qwint over de aansluitingen die voortijdig zijn beëindigd provisie is verschuldigd aan Contractcoach.
4.3.
Contractcoach stelt zich ten aanzien van de beëindigingen tot en met mei 2021 op het standpunt dat Qwint voor een deel van die beëindigingen teveel provisie heeft teruggenomen, waar de Leveringsovereenkomsten wel enige tijd hebben gelopen en er daarom pro rato naar de looptijd van zodanige Leveringsovereenkomsten een provisierecht van Contractcoach bestaat. In dat kader maakt Contractcoach dan ook aanspraak op een bedrag van € 18.078,59. Voor wat betreft de nieuwe beëindigingen die Qwint heeft verwerkt vanaf juni 2021 geldt dat Contractcoach die beëindigingen allemaal betwist. Contractcoach stelt zich op het standpunt dat Qwint gelet op de regeling van artikel 7:426 lid 2 BW over alle Leveringsovereenkomsten die door Qwint als beëindigd zijn genoteerd vanaf 1 juni 2021, ook over de als beëindigd genoteerde Leveringsovereenkomsten zowel de aanvaardingsvergoeding als de restvergoeding aan Contractcoach verschuldigd is, voor zover haar geen beroep toekomt op de tenzij-regeling als bedoeld in artikel 7:426 lid 2 BW.
Contractcoach maakt in dat kader primair aanspraak op een vergoeding ter hoogte van € 750.936,77 exclusief btw (€ 908.633,49 inclusief btw).
Zijn de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 nietig?
4.4.
Qwint stelt zich op het standpunt dat zij over de voortijdig beëindigde Leveringsovereenkomsten geen of minder provisie is verschuldigd. Qwint doet daarmee een beroep op artikel 7.3.1 en 7.3.2 van de Overeenkomst. Contractcoach stelt zich op het standpunt dat die bepalingen nietig zijn.
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat Contractcoach op grond van artikel 7:431 lid 1 sub a BW in beginsel recht heeft op provisie voor de leveringsovereenkomsten die tijdens de duur van de overeenkomst, door tussenkomst van Contractcoach, tot stand zijn gekomen. In artikel 7:432 lid 2 BW is vervolgens bepaald dat een beding, dat het recht op provisie doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst, uitdrukkelijk dient te worden gemaakt. Artikel 7.3.1 van de overeenkomst kwalificeert als een dergelijk beding, nu hierin is vastgelegd dat Contractcoach geen provisie toekomt indien een meerjarige Leveringsovereenkomst om welke reden dan ook eindigt binnen twaalf maanden na aanvang en indien een Leveringsovereenkomst met een duur van twaalf maanden om welke reden dan ook eindigt binnen zes maanden na aanvang daarvan.
Hetzelfde geldt voor artikel 7.3.2 van de Overeenkomst, zij het dat in dit artikel – anders dan in artikel 7.3.1. – wel is voorzien in een pro rata berekening van de verschuldigde provisie in geval van voortijdige beëindiging van de Leveringsovereenkomst. Artikel 7.3.1 en 7.3.2 zijn identiek aan de bepalingen die centraal stonden in een procedure bij deze rechtbank uit 2022, in welke zaak de kantonrechter tot het oordeel is gekomen dat artikel 7.3.1 en 7.3.2 nietig zijn. [1] De kantonrechter neemt deze overwegingen over en overweegt daarom als volgt.
4.6.
De agentuurbepalingen in de Nederlandse wet zijn daarin – grotendeels – opgenomen ter uitvoering van het bepaalde in artikel 11 Richtlijn 86/653/EEG (inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, hierna: de Richtlijn). Deze bepalingen moeten dan ook in overeenstemming met de Richtlijn worden uitgelegd en toegepast. Artikel 11 lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat het recht op provisie slechts kan vervallen indien en voor zover vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde (de afnemer) en de principaal (Qwint) niet zal worden uitgevoerd én de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn. Dit laatste volgt ook uit artikel 7:426 lid 2 BW: de principaal kan zich alleen beroepen op een beding als bedoeld in artikel 7:432 BW, wanneer de niet-uitvoering van de overeenkomst niet aan hem toerekenbaar is. In het arrest ERGO/Barlikova (ECLI:EU:C:2017:377) overweegt het Hof van Justitie:
Artikel 11, lid 1, eerste streepje (…) moet aldus worden uitgelegd dat het niet alleen betrekking heeft op gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de principaal en de derde maar ook op gevallen waarin deze overeenkomst niet volledig is uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de duur van deze overeenkomst niet wordt nageleefd. (…)
Artikel 11, leden 2 en 3 (…) moeten aldus worden uitgelegd dat een beding in een handelsagentuurovereenkomst op grond waarvan de agent een evenredig deel van zijn provisie moet terugbetalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, geen ‘afwijking ten nadele van de handelsagent’ in de zin van dit artikel 11 lid 3 is, indien het terug te betalen deel van de provisie evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van deze overeenkomst en op voorwaarde dat deze niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn. (…)
Artikel 11, lid 1, tweede streepje (…) moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn’ niet enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging hebben geleid maar ziet op alle aan de principaal te wijten juridische en feitelijke omstandigheden die aan de niet-uitvoering van deze overeenkomst ten grondslag liggen. (…)
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 een verdergaande begrenzing van het recht op provisie bevatten dan op grond van het hiervoor onder 4.4. geschetste kader is toegestaan. In artikel 7.3.1 van de Overeenkomst staat immers dat Qwint geen provisie is verschuldigd, en in artikel 7.3.2 dat deze pro rata is verschuldigd, indien een Leveringsovereenkomst ‘om welke reden dan ook’ (voortijdig) eindigt, terwijl dit zich zou moeten beperken tot de gevallen waarin de niet-uitvoering niet aan Qwint is toe te rekenen. In de onderhavige zaak zijn de redenen van de niet-uitvoering (beëindiging) nu juist in geschil.
Daarnaast heeft artikel 11 lid 1 van de Richtlijn – zo volgt uit de overwegingen van het Hof van Justitie, zoals deels geciteerd onder 4.4. – ook betrekking op gevallen waarin de Leveringsovereenkomst niet volledig is uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat de duur van de overeenkomst niet wordt nageleefd. Uit het genoemde arrest volgt dat een beding tot terugbetaling van te veel betaalde provisie bij beëindiging van een overeenkomst vóór de overeengekomen einddatum alleen dan geen afwijking ten nadele van de handelsagent betreft, indien het terug te betalen deel van de provisie evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van de betreffende overeenkomst (en de niet-uitvoering niet is terug te voeren op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn). Hiervan is in artikel 7.3.1 geen sprake.
4.8.
Nu in artikel 7:445 lid 1 BW is bepaald dat partijen bij een agentuurovereenkomst niet van artikel 7:426 lid 2 BW kunnen afwijken – en Qwint dit wel doet met de door haar gehanteerde formulering ‘om welke reden dan ook’, is de kantonrechter van oordeel dat de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Overeenkomst nietig zijn (artikel 3:40 lid 2 BW). Daarnaast bevat artikel 7.3.1 tevens een ‘afwijking ten nadele van de handelsagent’ omdat het terug te betalen deel van de provisie niet evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van de overeenkomst. Dit is een zelfstandige nietigheidsgrond.
4.9.
Qwint stelt zich op het standpunt dat de bepalingen 7.3.1 en 7.3.2 op grond van artikel 3:42 BW zoveel als mogelijk dienen te worden geconverteerd in geldige bepalingen in het geval ze nietig zouden zijn. Op grond van artikel 3:42 BW kan een nietige bepaling worden geconverteerd in een rechtsgeldige bepaling, indien wordt voldaan aan de in voormeld wetsartikel genoemde voorwaarden. In dit artikel is namelijk bepaald dat aan een nietige rechtshandeling de werking van een andere, geldige rechtshandeling toekomt, indien de strekking van de nietige rechtshandeling in zodanige mate aan die van een andere rechtshandeling beantwoordt dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van eerstgenoemde handeling wegens haar nietigheid was afgezien.
4.10.
Met Contractcoach is de kantonrechter echter van oordeel dat enkel sprake kan zijn van conversie ten aanzien van de beëindigde Leveringsovereenkomsten waarvan Qwint bewijst dat de niet-uitvoering niet aan haar toerekenbaar is (art. 7:445 jo. 7:426 lid 2 BW).
Kunnen de voortijdige beëindigingen van leveringsovereenkomsten niet aan Qwint worden toegerekend?
4.11.
Qwint doet een beroep op artikel 7:426 lid 2 BW en stelt zich op het standpunt dat veel van de Leveringsovereenkomsten die zij door tussenkomst van Contractcoach heeft gesloten zijn beëindigd wegens omstandigheden die niet aan Qwint kunnen worden toegerekend. Qwint stelt zich op het standpunt dat zij daarom geen provisie meer is verschuldigd aan Contractcoach.
4.12.
Op grond van artikel 7:426 lid 2 BW heeft Contractcoach in beginsel recht op provisie over de 3.030 aansluitingen, tenzij Qwint aantoont dat de niet-uitvoering (dat wil dus zeggen: de beëindiging) van de Leveringsovereenkomst niet aan haar kan worden toegerekend. De beoordeling hiervan geschiedt aan de hand van artikel 6:75 BW.
Voorbeelden van omstandigheden die aan de principaal kunnen worden toegerekend, zijn het tekortschieten van een leverancier, schaarste van werkkrachten, een staking onder het personeel, niet-nakoming door de wederpartij of overmacht van de principaal. [2]
4.13.
Qwint stelt onder verwijzing naar een door haar opgesteld Excel bestand (overgelegd als productie 15 bij dagvaarding) dat zij van alle 3.030 aansluitingen de reden en wijze van beëindiging heeft gespecificeerd. Over slechts 202 aansluitingen kan discussie bestaan of deze (voortijdige) beëindigingen tot de risicosfeer van Qwint behoren, aldus Qwint. Zij stelt dat van 100 aansluitingen de beëindiging niet is gedeeld met Contractcoach, van 7 aansluitingen het einde van de levering verband houdt met het stoppen van Qwint en 95 aansluitingen overgestapt zijn in verband met het stoppen van Qwint na 1 januari 2024. Qwint stelt – zo begrijpt de kantonrechter haar stellingen – dat zij met het door haar opgestelde Excel bestand voldoende heeft onderbouwd dat de beëindigingen van de Leveringsovereenkomsten niet aan haar kunnen worden toegerekend en dat er – zo begrijpt de kantonrechter – een verzwaarde motiveringsplicht ligt bij Contractcoach.
4.14.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Qwint echter niet gemotiveerd aangetoond dat de beëindigingen niet aan haar toerekenbaar zijn. Het Excel bestand waarnaar Qwint in dat kader verwijst is daartoe onvoldoende, omdat dit bestand slechts een door Qwint zelf geproduceerde lijst met beëindigingen betreft en aan de hand daarvan niet verifieerbaar kan worden gecontroleerd waarom een Leveringsovereenkomst is beëindigd. [3] Een nadere onderbouwing ontbreekt. Ter zitting heeft Qwint aangeboden nader bewijs te leveren en heeft zij aangegeven dat die verifieerbare gegevens beschikbaar zijn. Dat bewijsaanbod wordt door de kantonrechter gepasseerd, nu de gegevens betreffende de beëindigingen van de Leveringsovereenkomsten in het domein van Qwint liggen, Qwint heeft immers de beschikking over en toegang tot die gegevens, en zij op basis van de jurisprudentie had kunnen en moeten weten dat de bewijslast ter zake op haar rust. Qwint had de betreffende informatie dus al in een eerder stadium kunnen en moeten overleggen.
4.15.
Aanvullend heeft Qwint op zitting nog de stelling ingenomen dat Contractcoach over voldoende informatie zou moeten beschikken en meer zou moeten weten over de beëindigingen. In dat kader wijst zij erop dat de Leveringsovereenkomsten werden gesloten via een volmacht, waardoor – zo begrijpt de kantonrechter de stelling van Qwint – de informatie werd verstrekt aan Contractcoach zelf. Daarnaast stelt Qwint zich op het standpunt dat er e-mails zijn waaruit volgt dat Contractcoach zelf beëindigingen heeft geïnitieerd. De kantonrechter begrijpt de stellingen van Qwint aldus dat zij daarom van mening is dat Contractcoach zou moeten aantonen dat de beëindigingen van de Leveringsovereenkomsten aan Qwint toerekenbaar zijn.
4.16.
De kantonrechter volgt Quint hierin niet. Zoals hiervoor is overwogen, wordt ervan uitgegaan dat de gegevens over de beëindigingen van Leveringsovereenkomsten – aantallen en redenen – zich bevinden in het domein van Qwint en Contractcoach daar geen toegang toe heeft [4] . Dat Contractcoach over informatie betreffende
allebeëindigingen zou beschikken, blijkt verder nergens uit.
4.17.
De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om een verzwaarde stelplicht aan de kant van Contractcoach aan te nemen. De verzwaarde motiveringplicht is bedoeld om een partij tegemoet te komen in zijn bewijsnood. Dat daarvan in dit geval sprake is, is niet gebleken. Qwint stelt zich immers op het standpunt dat de informatie voorhanden zou zijn.
4.18.
Ook in de overige door Quint aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding om anders te oordelen. Uit niets blijkt dat er klachten waren over de werkzaamheden van Contractcoach en dat de beëindigingen van de Leveringsovereenkomsten daar het gevolg van zijn. Voor zover Qwint zich op dat standpunt heeft willen stellen, is dat standpunt dus ook niet onderbouwd. Daar staat tegenover dat in het dossier wel een veelvoud aan klachten over het handelen van Qwint zelf is opgenomen (productie 10 van de zijde van Contractcoach), waaruit volgt dat klanten in contact probeerden te komen met Qwint, bijvoorbeeld omdat hun voorschotbedrag zonder kennisgeving werd verdubbeld, verdriedubbeld en soms zelfs vervijfvoudigd, maar dat Qwint zowel telefonisch als per e-mail niet reageerde. Daarnaast klaagden klanten over jaarrekeningen die te laat (en onjuist) werden opgemaakt, slechte communicatie, actief incassobeleid en onterechte betaalherinneringen. Aldus zijn er genoeg omstandigheden die aanleiding geven te veronderstellen dat de beëindigingen van de Leveringsovereenkomsten daarmee samenhangen en dus ook daarom aan Qwint kunnen worden toegerekend.
Overige door Qwint aangevoerde omstandigheden
4.19.
Qwint heeft verder nog een aantal omstandigheden aangevoerd aan de hand waarvan zij stelt – zo begrijpt de kantonrechter het verweer van Qwint – dat het vertrek van klanten niet aan haar kan worden toegerekend, dan wel dat zij over bepaalde aansluitingen niet de integrale provisie verschuldigd is.
4.20.
Qwint verwijst naar een door haar als productie 14 overgelegde usb-stick waarop zij voor 604 aansluitingen stelt e-mailcorrespondentie te hebben overgelegd met Contractcoach waarbij Qwint Contractcoach heeft bericht over de voortijdige beëindiging van deze Leveringsovereenkomsten. Qwint stelt zich op het standpunt dat uit die e-mails blijkt dat partijen het eens waren dat het de verplichting van Contractcoach was om achter deze eindgebruikers aan te gaan en dat Contractcoach ter zake ook besliste en de beëindigingen accordeerde. Qwint stelt dat Contractcoach voordeel heeft genoten omdat zij met toestemming van en in overleg met Qwint de volledige vrijheid had om deze eindafnemers tegen provisie bij eindafnemers elders onder te brengen. Qwint stelt dat Contractcoach dat ook heeft gedaan. Mocht er al enige verplichting tot vergoeding van schade op Qwint rusten dan dient op grond artikel 6:100 BW het voordeel dat Contractcoach heeft genoten in rekening te worden gebracht, dan wel op grond van artikel 6:98 BW in de schadebegroting te worden meegenomen, aldus Qwint.
4.21.
De kantonrechter overweegt dat uit niets is gebleken dat Contractcoach daadwerkelijk klanten zou hebben bemiddeld naar eindafnemers elders én dat Contractcoach daarvan daadwerkelijk voordeel zou hebben genoten. Dat op Contractcoach enigerlei verplichting rust(te) om de voor Qwint bemiddelde eindafnemers elders onder te brengen, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter ook nergens uit. Verder is voor voordeelstoerekening (pas) aanleiding als een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade ook voordeel heeft opgeleverd (artikel 6:100 BW). Er is in casu geen sprake van ‘een zelfde gebeurtenis’.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de door Contractcoach overgelegde producties voldoende dat Qwint had te kampen met zodanig omvangrijke organisatorische problemen, dat dit leidde tot een grote klachtenstroom die zij het hoofd maar niet kon bieden en haar deed besluiten die klanten maar te laten vertrekken, ook omdat zij onder verscherpt toezicht van de ACM kwam te staan, met wie zij afspraken maakte rondom het boetevrij kunnen vertrekken van haar eindafnemers, terwijl bovendien Qwint (haar aandeelhouder) besloot tot afbouw van de organisatie. Die omstandigheden liggen allemaal in de risicosfeer van Qwint. Daar komt bij dat door Contractcoach onweersproken is gesteld dat het ‘mandaat’ van Qwint slechts zag op klanten die wilden vertrekken. Het gaat hier dus om klanten, die al besloten hadden om bij Qwint te vertrekken. De kantonrechter verwerpt het verweer van Qwint op dit punt dan ook. In dat oordeel ligt besloten dat het beroep van Qwint op eigen schuld ex artikel 6:101 BW eveneens wordt verworpen.
4.22.
Qwint stelt dat Contractcoach haar verplichtingen na had moeten komen, en contact op had moeten nemen met haar klanten als deze zich afmeldden, dan wel anderszins redelijk en billijk had moeten handelen om zo te bewerkstelligen dat – naar de kantonrechter begrijpt – die klanten hun Leveringsovereenkomst met Qwint niet beëindigden. In de eerste plaats blijkt uit niets dat een dergelijke verplichting op Contractcoach zou rustten. Daarnaast is hiervoor overwogen dat de omstandigheden die tot beëindiging van de Leveringsovereenkomsten hebben geleid allemaal in de risicosfeer van Qwint liggen.
4.23.
Als productie 15 heeft Qwint e-mails overgelegd aan de hand waarvan zij stelt dat de daarin genoemde eindgebruikers op verzoek van Contractcoach zelf werden afgemeld. Qwint stelt dat Contractcoach onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij bij een van haar klanten ( [bedrijfsnaam 2] B.V.) een opzegboete in rekening heeft gebracht bij voortijdige beëindiging, waarna deze klant vervolgens weigerde de boete aan Qwint zelf te betalen, terwijl Contractcoach daarnaast van Qwint voor deze klant ook nog eens een provisie vordert. Qwint acht het voldoende aannemelijk dat Contractcoach dit vaker heeft gedaan bij eindafnemers die voortijdig hun Leveringsovereenkomst met Qwint hebben beëindigd.
4.24.
De kantonrechter gaat ook op dit punt aan het verweer van Contractcoach voorbij. Contractcoach heeft gemotiveerd betwist dat de brief van de raadsman van [bedrijfsnaam 2] , waarnaar Qwint verwijst, ziet op een andere vordering. De stelling van Qwint, dat Contractcoach ‘dit vaker zou hebben gedaan bij eindafnemers’, wordt ook in het geheel niet onderbouwd.
4.25.
Qwint doet nog een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij stelt in dat kader dat [derde-partij 1] en [derde-partij 2] zich in België provisie hebben laten uitbetalen door de geprognosticeerde marge enorm op te blazen door een niet reëel geprognosticeerd verbruik voor te stellen. Artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De kantonrechter stelt voorop dat zij de nodige terughoudendheid dient te betrachten bij toepassing van dit artikel. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW te honoreren. Qwint onderbouwt haar beroep met stellingen die blijkbaar betrekking hebben op een procedure van Qwint in België. Uit niets blijkt dat de omstandigheden in die zaak ook maar enig verband zouden hebben met deze procedure. Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW van Qwint zal daarom worden afgewezen.
Conclusie provisie
4.26.
De conclusie uit al het voorgaande, is dat de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 nietig zijn en Qwint de provisie over de tot 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten ten onrechte heeft verrekend. Qwint is er niet in geslaagd te onderbouwen dat de beëindigingen van de 3.030 Leveringsovereenkomst niet aan haar kunnen worden toegerekend (artikel 7:426 lid 2 BW). Dat betekent dat aan conversie van het bepaalde in artikel 7.3.1 en 7.3.2 niet wordt toegekomen en Contractcoach dus recht heeft op provisie over die 3.030 aansluitingen.
4.27.
Contractcoach maakt over de tot 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten aanspraak op een provisievergoeding van € 18.078,59 exclusief btw. Nu hiervoor is geoordeeld dat artikel 7.3.1 nietig is, had Qwint dit bedrag niet mogen verrekenen. De vordering van Contractcoach zal op dit punt dan ook worden toegewezen. Tegen de btw is geen specifiek verweer gevoerd, zodat het gevorderde btw bedrag ook zal worden toegewezen. De wettelijke handelsrente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen zoals gevorderd.
4.28.
Contractcoach maakt daarnaast aanspraak op de provisievergoeding over de vanaf 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten ter hoogte van € 750.936,77 exclusief btw. Hiervoor is geoordeeld dat Qwint geen beroep kan doen op de tenzij-bepaling van artikel 7:426 lid 2 BW. Daarnaast heeft Qwint geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde bedrag, zodat dit bedrag eveneens zal worden toegewezen. Tegen de btw is geen specifiek verweer gevoerd, zodat deze eveneens ook zal worden toegewezen. De wettelijke handelsrente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen zoals gevorderd.
Borg
4.29.
De vordering van Contractcoach, zoals weergegeven onder punt 4 van het petitum, tot betaling van een bedrag van € 11.729,95, dat Qwint onder de noemer borg heeft ingehouden op de provisie van Contractcoach, zal als niet weersproken worden toegewezen.
Beloning ex artikel 7:435 BW
4.30.
Op grond van artikel 7:435 BW heeft de handelsagent recht op een beloning, indien hij bereid is zijn verplichtingen uit de agentuurovereenkomst na te komen, doch de principaal van de diensten van de handelsagent geen gebruik heeft gemaakt of in aanzienlijk geringere mate gebruik heeft gemaakt dan deze als normaal mocht verwachten, tenzij de gedraging van de principaal voortvloeit uit omstandigheden welke redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen (lid 1). Bij de bepaling van die beloning wordt rekening gehouden met het bedrag van de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren, zoals de onkosten die de handelsagent zich door het niet verrichten van de werkzaamheden heeft bespaard (lid 2).
4.31.
De kantonrechter is van oordeel dat aan de vereisten van artikel 7:435 lid 1 BW is voldaan. Vast staat dat Qwint per e-mail van 24 februari 2022 een e-mail aan Contractcoach heeft verstuurd met als onderwerp “tijdelijke pauze”, waarin zij aankondigt per direct geen nieuwe klanten en verlengingen aan te nemen.
Het is evident dat Qwint vanaf dat moment geen of in ieder geval in mindere mate gebruik heeft gemaakt van de diensten van Contractcoach. Uit de e-mail blijkt dat Qwint de tijdelijke pauze inlast vanwege de onstuimige marktsituatie en situatie in Oekraïne. Dat is een omstandigheid die naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening van Qwint dient te komen. Daar staat tegenover dat niet gebleken is dat Contractcoach niet langer bereid zou zijn om haar verplichtingen uit de Overeenkomst na te komen.
4.32.
Ten aanzien van de hoogte van de beloning overweegt de kantonrechter het volgende. Contractcoach maakt aanspraak op de beloning vanaf 24 februari 2022 tot het moment waarop de Overeenkomst rechtsgeldig tot een einde is gekomen. Qwint stelt zich op het standpunt dat de samenwerkingsovereenkomst op grond van artikel 7:437 lid 1 BW geacht moet worden te zijn geëindigd op 1 juli 2022. Qwint stelt dat de e-mail van 24 februari 2022 moet worden gezien als opzegging van de Overeenkomst.
4.33.
De kantonrechter gaat daar niet in mee. De e-mail van 24 februari 2022 spreekt slechts van een ‘tijdelijke pauze’, Qwint schrijft dat zij heeft besloten ‘tijdelijk geen nieuwe klanten en verlengingen aan te nemen’ en dat zij ‘per week zal beoordelen of de pauze nog noodzakelijk is’. Naar het oordeel van de kantonrechter had Contractcoach daar niet uit kunnen afleiden dat de Overeenkomst was beëindigd.
4.34.
Qwint stelt dat Contractcoach dan in ieder geval na het gesprek van 14 maart 2023 dat de Overeenkomst was beëindigd. Ook daarin volgt de kantonrechter Qwint niet. Qwint heeft het gespreksverslag overgelegd van de bespreking die op 14 maart 2023 plaatsvond. Daaruit blijkt echter niet dat is gesproken over een beëindiging van de Overeenkomst of over een mogelijk terugtrekken van Qwint van de Nederlandse markt. Uit het gespreksverslag (tweede en derde alinea) maakt de kantonrechter op dat partijen hebben gesproken over een probleem met de eindafrekeningen en de jaarafrekeningen en een probleem met de spotcontracten: de spotcontracten mogen niet meer voor bepaalde tijd worden gesloten en de eindafrekeningen mogen niet meer in rekening worden gebracht. Nergens uit blijkt dat dit betrekking had op het vertrek van Qwint van de Nederlandse markt. Daarbij had het voor de hand gelegen dat partijen – indien het op dat moment voor Contractcoach wel duidelijk was dat Qwint zou vertrekken – daar juist heel uitdrukkelijk over gesprokken hadden nu dat immers gevolgen zou hebben voor de vragen hoe met de klanten om moest worden gegaan, hoe Contractcoach aanspraak kon maken op provisie en hoe de klanten moesten worden begeleid naar een nieuwe leverancier.
Qwint heeft er nog op gewezen dat in een eerder stadium door haar is aangegeven dat klanten die weg wilden gaan, ook zonder boete weg konden gaan. Gebleken is dat dit uitsluitend betrekking had op de spotcontracten (zie ook de e-mail van Qwint van 11 augustus 2022).
4.35.
Qwint stelt verder dat het zo voor de hand lag dat Contractcoach ervan op de hoogte was dat ze er niet over hebben gesproken. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Zoals hiervoor is overwogen, had het juist voor de hand gelegen dat partijen er wél over zouden hebben gesproken indien een beëindiging van de Overeenkomst op handen zou zijn omdat dat allerlei vragen zou oproepen. Er is geen enkel aanknopingspunt waaruit blijkt dat partijen op 14 maart 2023 al over een beëindiging zouden hebben gesproken. De stelling dat het logisch zou zijn is daartoe niet voldoende. Te meer nu alle andere onderwerpen die op dat moment speelden (de spotcontracten, het contact met de ACM en de eindafrekeningen) wel werden besproken en zijn vastgelegd.
4.36.
Qwint heeft er verder nog op gewezen dat Contractcoach na 24 februari 2022 geen ingebrekestelling heeft verstuurd en daaruit kan worden afgeleid dat Contractcoach berust in de tijdelijke stop en daarmee ook heeft berust in het einde van de samenwerking. Die conclusie is echter niet juist. Contractcoach berustte enkel in de tijdelijke stop van 24 februari 2022. Uit de jaarstukken van Qwint blijkt bovendien dat pas op 17 november 2022 (productie 48 van de zijde van Contractcoach, blz. 5) het besluit is genomen dat Qwint de Nederlandse markt zou verlaten. Ook daarom kan de berusting door Contractcoach in de aankondiging van de tijdelijke stop in het bericht van 24 februari 2022 niet tevens worden opgevat worden als een berusting in de beëindiging van de Overeenkomst. Het feitelijke besluit om te stoppen is veel later genomen.
4.37.
De kantonrechter komt, dit alles in aanmerking nemende, tot het oordeel dat de Overeenkomst eerst tot een einde is gekomen op 1 juni 2024. Vast staat dat namelijk dat Qwint Contractcoach op 2 november 2023 (productie 39 van de zijde van Contractcoach) een e-mail heeft verstuurd waarin zij schrijft dat zij genoodzaakt is om vanaf 1 april 2024 te stoppen met het leveren van gas en elektriciteit. Op grond van artikel 7:437 lid 1 jo. lid 3 BW dient een opzegtermijn van zes maanden in acht te worden genomen en moet worden opgezegd tegen het einde van de maand. Dat betekent dat de Overeenkomst per 1 juni 2024 is geëindigd.
4.38.
Contractcoach heeft – onder verwijzing naar een berekening van haar accountant – gesteld dat haar misgelopen provisiewinst per maand primair € 36.093,- bedraagt. Nu Qwint geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van dat bedrag zal de kantonrechter uitgaan van een misgelopen provisie van € 36.093,- per maand. De provisie zal worden toegewezen vanaf 24 februari 2022 tot en met 1 juni 2024. De wettelijke handelsrente zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Klantenvergoeding ex artikel 7:442 BW
4.39.
Ingevolge artikel 7:442 lid 1 BW heeft de handelsagent, ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, bij het einde van de agentuurovereenkomst recht op een klantenvergoeding voor zover de handelsagent de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
4.40.
Nu Contractcoach aanspraak maakt op een klantenvergoeding, dient zij te stellen en eventueel te bewijzen respectievelijk aannemelijk te maken i) dat zij klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten heeft uitgebreid en ii) dat dit Qwint nog aanzienlijke voordelen oplevert. [5] De kantonrechter is van oordeel dat Contractcoach op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Contractcoach heeft in dit kader namelijk niets gesteld. Gezien het feit dat Qwint gestopt is als energieleverancier in Nederland, is ook niet aannemelijk dat de door Contractcoach aangebrachte Leveringsovereenkomsten Qwint (nu) nog aanzienlijke en duurzame voordelen opleveren. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen.
Vergoeding overige schade
4.41.
De vordering van Contractcoach onder punt 7 tot vergoeding van alle overige schade zal ook worden afgewezen. Contractcoach heeft onvoldoende gesteld welke schade niet is begrepen onder de vorderingen die worden toegewezen.
De verklaringen voor recht
4.42.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft Contractcoach geen zelfstandig belang bij de gevorderde verklaringen voor recht. Zij heeft over het belang van deze vorderingen ook niets gesteld. Reeds daarom worden de gevorderde verklaringen voor recht afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.43.
Contractcoach maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is op de gevorderde provisie en de gevorderde borg. Contractcoach heeft onweersproken gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot het bedrag dat overeen komt met het in het Besluit bepaalde tarief horend bij de toe te wijzen hoofdsom, te weten € 6.775,-.
Proceskosten
4.44.
Qwint is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Contractcoach worden begroot op:
- dagvaarding € 115,22
- griffierecht € 130,00
- salaris gemachtigde € 2.922,00 (2 punten x tarief € 1.461,00)
- nakosten €
135,00
Totaal € 3.302,22
4.45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna vermeld in de beslissing.
In reconventie
4.46.
In reconventie maakt Qwint aanspraak op terugbetaling van door haar aan Contractcoach teveel betaalde provisie. Qwint stelt in dat kader dat zij aan Contractcoach te veel voorschotprovisie heeft betaald, omdat het Standaardjaarverbruik (SJV) op de aansluitingen in werkelijkheid veel lager was dan door Contractcoach was opgegeven. Hierdoor werden de aanbrengvergoeding en de restvergoeding (oftewel de provisie) veel te hoog berekend. Qwint verwijst in dit verband naar een excelsheet (door haar overgelegd als productie 13 bij conclusie van antwoord) en stelt aan de hand daarvan dat het gemiddelde waar Contractcoach mee heeft gerekend hoger ligt dan het daadwerkelijke gemiddelde verbruik van alle eindverbruikers.
4.47.
De reconventionele vordering van Qwint zal bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
4.48.
Volgens Qwint blijkt uit voornoemde productie 13 dat Contractcoach slechts recht zou hebben op een maximaal provisiebedrag van € 1.018.748,88 excl. BTW. Qwint stelt zich daarbij te hebben gebaseerd op (1) het daadwerkelijk verbruik én (2) de daadwerkelijke looptijd van ieder van de door Contractcoach aangebrachte aansluitingen. In de eerste plaats betwist Contractcoach dat de provisievordering op de door Qwint gestelde wijze moet worden berekend. Daarnaast betwist zij dat er teveel voorschotprovisie is betaald en betwist zij de juistheid van de berekening van Qwint. Contractcoach heeft verder gemotiveerd onderbouwd dat het Standaardjaarverbruik (SJV) niet onjuist kán zijn nu in Nederland het Centraal Aansluitingenregister (C-AR) bestaat, waarin informatie staat over alle aansluitingen van gas en elektriciteit in heel Nederland en daarin het Standaard Jaarverbruik (SJV) kan worden geraadpleegd van de aangebrachte aansluitingen. Het SJV wordt frequent geüpdate door de netbeheerder en weerspiegelt wat het gemiddelde verbruik van de laatste drie jaar is per aangebrachte aansluiting in een Leveringsovereenkomst. Het SJV is – kort samengevat – een schatting van het gemiddelde energieverbruik naar de toekomst toe, op basis van het werkelijk verbruik van de afgelopen twee tot drie jaar op een specifiek adres. EDSN levert die gegevens onafhankelijk aan, aldus Contractcoach. Door Contractcoach is onweersproken gesteld dat Qwint voor de aanvaarding van de door Contractcoach aangebrachte Leveringsovereenkomsten de gegevens controleerde en dat de Aanvaardingsvergoeding op basis van deze gecontroleerde gegevens pas werd betaald.
4.49.
De slotsom is dan ook dat Qwint haar vordering, gelet op het gemotiveerde verweer van Contractcoach, onvoldoende nader heeft onderbouwd, waardoor de vordering in reconventie zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.50.
Qwint zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Contractcoach begroot op één punt ad € 1.461,- aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie:
5.1.
veroordeelt Qwint tot betaling aan Contractcoach van een provisievergoeding (over de tot 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten) ter grootte van € 18.078,59 exclusief BTW (€ 21.875,09 inclusief BTW), te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 23 oktober 2018;
5.2.
veroordeelt Qwint tot betaling aan Contractcoach van de (Rest)provisievergoeding (over de vanaf 1 juni 2021 beëindigde Leveringsovereenkomsten) ter grootte van
€ 750.936,77 exclusief BTW (€ 908.633,49 inclusief BTW), te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, per afzonderlijke Leveringsovereenkomst te rekenen vanaf het moment dat Qwint als beëindigingsdatum voor iedere zodanige afzonderlijke Leveringsovereenkomst heeft genoteerd;
5.3.
veroordeelt Qwint tot betaling van de ter grootte van de borg ad € 11.729,92 exclusief BTW (€ 14.193,20 inclusief BTW), te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 april 2024;
5.4.
veroordeelt Qwint tot betaling aan Contractcoach van een maandelijkse beloning ex artikel 7:435 lid 1 BW, door Qwint aan Contractcoach te betalen over de periode vanaf 24 februari 2022 tot 1 juni 2024, ter grootte van € 36.093,- exclusief BTW (€ 43.672,- inclusief BTW), voor iedere sinds 24 februari 2022 verstreken maand, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover sinds het moment van betekening van de dagvaarding;
5.5.
veroordeelt Qwint tot betaling aan Contractcoach van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie:
5.7.
wijst de vordering van Qwint af;
in conventie en in reconventie:
5.8.
veroordeelt Qwint in de proceskosten van € 3.302,22 in conventie en € € 1.461,- in reconventie, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Qwint niet tijdig aan één van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.9.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 20 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5710, r.o. 5.2. e.v.
2.Rechtbank Den Haag 22 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7780, r.o. 4.26.
3.Rechtbank Den Haag 22 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7780, r.o. 4.25.
4.Rechtbank Den Haag 22 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7780, r.o. 4.34.