ECLI:NL:RBDHA:2025:21743
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering ontneming wegens vrijspraak strafbaar feit
De rechtbank Den Haag behandelde op 12 november 2025 een vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €53.487,00. De vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Tijdens de terechtzittingen van 28 november 2024 en 29 oktober 2025 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van zowel het openbaar ministerie als de verdediging. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de veroordeelde was vrijgesproken van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat vanwege de vrijspraak van het strafbare feit geen grondslag bestaat voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot ontneming.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, waarbij mr. H.C.L. Vreugdenhil voorzitter was, samen met mr. E. Rabbie en mr. J.G. Bruinsma als rechters.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak van het strafbare feit.