ECLI:NL:RBDHA:2025:21648

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
11769531 \ EJ VERZ 25-83004
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om billijke vergoeding en nevenvorderingen in arbeidsrechtelijke zaak tegen ZOBIO B.V.

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van [verzoeker] tegen ZOBIO B.V. [verzoeker] verzocht om een billijke vergoeding van € 160.000,00 na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst, die volgens hem in strijd was met de wet. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op rechtsgeldige wijze is beëindigd na toestemming van het UWV, op basis van bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter oordeelde dat de functie van [verzoeker] als Head of Crystallography uniek was en dat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing was. Tevens werd geoordeeld dat er geen schending van de herplaatsingsplicht was, omdat er geen passende functies beschikbaar waren binnen ZOBIO. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] om een billijke vergoeding afgewezen en ook de nevenvorderingen, waaronder de vordering tot schadevergoeding en afgifte van bepaalde zaken, zijn gedeeltelijk toegewezen. De proceskosten zijn voor rekening van [verzoeker].

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JL (D)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 11769531 \ EJ VERZ 25-83004
Beschikking van 12 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] , [land] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G.F. Stelten,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZOBIO B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Leiden,
verwerende partij,
hierna te noemen: ZoBio,
gemachtigden: mrs. M.A. de Vries en B. van den Bedum.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 t/m 28, ontvangen ter griffie op 30 juni 2025;
- het verweerschrift, met producties 1 t/m 25;
- de aanvullende producties 29 en 30 van [verzoeker] ;
- de mondelinge behandeling van 16 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
1.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1977, was in de periode van 1 april 2018 tot 1 mei 2025 in dienst bij ZoBio. Het loon van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 6.300,00 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten).
2.2.
In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
1.4
The employee shall take up employment with the employer in the position ofHead of Crystallography.
(…)
4.9
This contract and any non-contractual obligation arising out of or in connection with it are governed exclusively by Dutch law.”
2.3.
Op 14 juni 2021 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.4.
Op 8 juni 2023 heeft het UWV aan ZoBio een loonsanctie opgelegd.
2.5.
Na afloop van de loonsanctie heeft ZoBio [verzoeker] een beëindigingsvoorstel gedaan. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.
2.6.
Bij bestuursbesluit van 3 oktober 2024 heeft ZoBio de functie van Head of Crystallography boventallig verklaard.
2.7.
Op 8 oktober 2024 heeft ZoBio voor [verzoeker] en voor andere werknemers een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen.
2.8.
Bij beslissing van 12 maart 2025 heeft het UWV ZoBio toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft - samengevat - overwogen dat ZoBio aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van Head of Crystallography door bedrijfseconomische redenen structureel komt te vervallen en dat er geen mogelijkheid is om [verzoeker] binnen een redelijke termijn te herplaatsen in een andere passende functie. Volgens het UWV is het afspiegelingsbeginsel niet aan de orde omdat de functie van [verzoeker] uniek is.
2.9.
Bij brief van 17 maart 2025 heeft ZoBio de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 1 mei 2025.

3.Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt ZoBio te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. [verzoeker] vordert daarnaast (samengevat):
  • ZoBio te veroordelen om aan [verzoeker] te verstrekken een eindafrekening waaruit de bruto-netto specificatie van de billijke vergoeding blijkt;
  • ZoBio te veroordelen tot afgifte van de zaken genoemd achter nummers 6, 7, 9, 10 en 13 tot en met 21 in productie 27 van zijn verzoekschrift en, voor zover ZoBio daaraan niet zal voldoen, ZoBio te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 76.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • ZoBio te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 106.800,00 aan schadevergoeding voor de zaken genoemd achter nummers 1 tot en met 5, 11 en 12 in productie 27 van zijn verzoekschrift, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • ZoBio te veroordelen in de juridische kosten van € 13.012,25 dan wel de buitengerechtelijke kosten van € 3.489,00 (inclusief btw);
  • ZoBio te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
ZoBio voert verweer en stelt dat het verzoek en de nevenvorderingen moeten worden afgewezen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil. Dit volgt ook uit artikel 21 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 1215/2012 (Brussel I-bis).
4.2.
Tussen partijen is evenmin in geschil dat bij de beoordeling Nederlands recht moet worden toegepast op grond van artikel 8 lid 1 jo. artikel 3 lid 1 Verordening (EG) 593/2008 (Rome-I), waarin is bepaald dat een (individuele arbeids)overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Partijen hebben in artikel 4.9 van de arbeidsovereenkomst Nederlands rechts van toepassing verklaard.
Ontvankelijkheid verzoek
4.3.
ZoBio heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] na toestemming van het UWV opgezegd tegen 1 mei 2025. Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW is [verzoeker] in dat geval bevoegd om binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen als hier aan de orde. [verzoeker] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het op 30 juni 2025 is ontvangen. [verzoeker] kan dus in zijn verzoek worden ontvangen.
Geen billijke vergoeding
Vooraf
4.4.
[verzoeker] vindt het opmerkelijk dat ZoBio de aanvraag voor een ontslagvergunning bij het UWV heeft gegrond op bedrijfseconomische redenen in plaats van langdurige ziekte. De kantonrechter overweegt dat het aan ZoBio als werkgever is om te bepalen op welke grondslag zij een aanvraag bij het UWV doet om de arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen. Zij wordt in deze keuze niet beperkt.
Juridisch kader
4.5.
Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend ex artikel 7:682 lid 1 sub b BW. Op grond van dat artikel heeft een werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV alleen recht op een billijke vergoeding als de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 3 sub a BW en herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
4.6.
Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt op grond van artikel 7:669 lid 3 sub a BW verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.
4.7.
De kantonrechter toetst aan dezelfde (wettelijke) criteria als het UWV. Het UWV toetst een verzoek om een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen aan de Ontslagregeling, de Regeling Ontslagprocedure UWV en de Uitvoeringsregels. De kantonrechter zal hieraan dus ook toetsen, met dien verstande dat de kantonrechter niet gebonden is aan de in de Uitvoeringsregels neergelegde bepalingen, maar daar wel acht op kan slaan. De beoordeling van de kantonrechter geldt niet als een beoordeling in hoger beroep van de beslissing van het UWV. Het gaat om een zelfstandig te beoordelen verzoek.
4.8.
Op grond van de Ontslagregeling dient een werkgever aannemelijk te maken dat:
er structureel arbeidsplaatsen vervallen door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsuitvoering;
de juiste volgorde voor ontslag is vastgesteld (afspiegelingsbeginsel), indien sprake is van uitwisselbare functies;
er geen mogelijkheden zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming.
4.9.
De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak van de door ZoBio genomen beslissing een zekere mate van terughoudendheid past. De werkgever moet zijn onderneming immers zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in meer algemene zin. Er moet dan ook ruimte voor de werkgever zijn een beslissing te kunnen nemen tot het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische redenen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 43). Er is dus sprake van een situatie waarin ZoBio een zekere vrijheid heeft om beleidskeuzes te maken, ook als deze de individuele rechtsbetrekking met [verzoeker] als werknemer treffen.
Geen opzegverbod
4.10.
[verzoeker] stelt dat sprake is van een opzegverbod wegens overname van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 8 BW. Van zo’n verbod is sprake als de opzegging van de arbeidsovereenkomst is gedaan
wegensde overgang van de onderneming. ZoBio heeft gemotiveerd weersproken dat daarvan sprake is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ZoBio sinds 21 december 2023 onderdeel uitmaakt van Oncodesign Services (ODS), als gevolg van een aandelentransactie. Het betreft dus een aandelenoverdracht waar artikel 7:670 lid 8 BW niet op ziet. [verzoeker] heeft daar op zitting niet meer op gereageerd. De kantonrechter gaat dan ook aan het beroep op het opzegverbod bij overname van [verzoeker] als onvoldoende onderbouwd voorbij.
Bedrijfseconomische omstandigheden
4.11.
Tussen partijen is allereerst in geschil of sprake is van een slechte of slechter wordende financiële situatie en werkvermindering bij ZoBio. In de UWV-procedure heeft ZoBio de bedrijfseconomische noodzaak gegrond op een omzetdaling in de periode van januari 2024 tot en met november 2024, met een verwacht verlies van € 163.298,00 per april 2025. De kantonrechter stelt in dit verband voorop dat de stelling van [verzoeker] dat hij wegens zijn langdurige arbeidsongeschiktheid geen invloed heeft gehad op het financiële resultaat, niet relevant is voor de beoordeling of sprake is van een bedrijfseconomische reden. Zoals het UWV ook heeft overwogen, wordt daarvoor gekeken naar de financiële situatie van werkgever en of sprake is van werkvermindering.
4.12.
De kantonrechter gaat uit van de door ZoBio overgelegde financiële gegevens en de daarin vermelde cijfers. ZoBio heeft in deze procedure gesteld en met stukken onderbouwd dat het verschil in het financiële nettoresultaat tussen 2023 en 2024 - als gevolg van een verlies in 2024 van € 404.988,00 - ruim € 1.400.000,00 bedroeg. [verzoeker] heeft dat ter zitting niet (meer) weersproken. Dat de cijfers niet verifieerbaar zijn, zoals [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd, volgt de kantonrechter niet. ZoBio heeft immers onweersproken gesteld dat de financiële stukken door een externe boekhouder zijn gecontroleerd. De kantonrechter heeft daarom geen reden om aan de juistheid of betrouwbaarheid van de cijfers te twijfelen.
4.13.
De kantonrechter oordeelt dat ZoBio met de overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een slechte of slechter wordende financiële situatie en werkvermindering. ZoBio heeft voldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie en prognose voor de toekomst. Ter onderbouwing daarvan heeft zij de veranderingen op de markt (gestegen rentes in 2022) beschreven, waardoor de financiering van nieuwe projecten in geneesmiddelenonderzoek is afgenomen en meerdere klanten, waaronder een voor ZoBio belangrijke klant (Mirati Tx), de samenwerking hebben stopgezet, met werkvermindering als gevolg. ZoBio was daardoor genoodzaakt om kostenbesparende maatregelen te treffen, zo ook in de personeelskosten als grootste kostenpost. De kantonrechter heeft geen reden om aan die toelichting en motivering van ZoBio te twijfelen, temeer nu [verzoeker] hier ter zitting niet meer op heeft gereageerd. [verzoeker] betwist deze ontwikkeling ook niet, maar meent - zo begrijpt de kantonrechter - dat geen sprake is van structurele financiële problemen. Bovendien is volgens [verzoeker] geen rekening gehouden met de overname van ZoBio door ODS, terwijl dit wel relevant is voor de financiële prognose en de prognose van structurele werkvermindering. ZoBio heeft gemotiveerd aangevoerd dat wel degelijk rekening is gehouden met de overname, maar dat de aanvankelijke verwachting, dat hierdoor nieuwe en omvangrijke onderzoeken gewonnen zouden worden, zich niet heeft gerealiseerd. [verzoeker] heeft dat niet weersproken. ZoBio heeft haar slechter wordende financiële situatie en de werkvermindering derhalve voldoende aannemelijk gemaakt.
Verval van de arbeidsplaats
4.14.
Alvorens te kunnen beoordelen of de arbeidsplaats van [verzoeker] is komen te vervallen en of sprake is van uitwisselbare functies, moet worden vastgesteld welke functie [verzoeker] vervulde. Anders dan ZoBio, stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat hij de functie van Head of Crystallography nooit heeft vervuld en dat hij feitelijk als Senior Scientist heeft gewerkt.
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] zijn stelling, dat hij de functie van Head of Crystallography nooit heeft vervuld, gelet op de gemotiveerde betwisting van ZoBio, onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. De kantonrechter betrekt daarbij het volgende. ZoBio heeft toegelicht dat toen [verzoeker] solliciteerde, de functie van Head of Crystallography nog niet bestond. Gelet op de achtergrond en expertise van [verzoeker] is deze functie toen voor hem gecreëerd, aldus ZoBio. Dit was met instemming van ZoBio. Volgens ZoBio was [verzoeker] als Head of Crystallography vanaf zijn indiensttreding verantwoordelijk voor het opzetten van een kristallografielaboratorium, het ontwikkelen en optimaliseren van werkprocessen en het opleiden, aansturen en begeleiden van wetenschappers binnen het team Kristallografie. [verzoeker] heeft deze door ZoBio geschetste gang van zaken niet weersproken. Op grond hiervan staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verzoeker] , hoewel hij initieel heeft gesolliciteerd naar de functie van Senior Scientist, bij ZoBio is aangenomen in de functie van Head of Crystallography.
Dat [verzoeker] in ieder geval vóór de (hierna verder te bespreken) structuurwijziging in 2019 de functie van Head of Crystallography ook daadwerkelijk vervulde, volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit zijn eigen stelling, dat hij ná de structuurwijziging in 2019 feitelijk werd gedegradeerd naar de functie van Senior Scientist omdat er geen concrete verantwoordelijkheden en (leidinggevende) bevoegdheden voor hem overbleven. Dat vindt ook bevestiging in het Arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 14 mei 2024, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Ik [kantonrechter: arbeidsdeskundige] heb (…) met de cliënt [kantonrechter: [verzoeker] ] het laatst verrichtte werk, voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag besproken om me een goed beeld te kunnen vormen van de inhoud, taken en de belasting van de functie. (…) kom ik samen met de cliënt tot de conclusie dat hij momenteel niet in staat is omhet laatst verrichtte werk van Head of Crystallography[onderstreping kantonrechter] in de volle omvang, zoals hij gedaan heeft bij zijn werkgever te verrichten.
Cliënt licht toe dat hij in zijn oorspronkelijke functie is aangenomen om een platform op te zetten om onderzoek naar eiwit kristallografie mogelijk te maken (…). Hij stelde o.a. het team samen, zorgde voor de aanwezigheid van de benodigde apparatuur, gaf leiding aan het team, controleerde hun onderzoeken en zette het gehele daarvoor benodigde laboratorium op. Op enig moment constateerde cliënt een aantal veranderingen. Steeds meer taken binnen zijn functie werden overgenomen door anderen.”
4.16.
[verzoeker] heeft erop gewezen dat ZoBio in 2019 wijzigingen heeft doorgevoerd in haar organisatie, als gevolg waarvan er vier verschillende researchgroepen ontstonden: Protein Sciences, Assay Development, Structural Biology en Chemistry. Het team Kristallografie werd onderdeel van de groep Structural Biology. Voor zover [verzoeker] bedoelt te stellen dat zijn functie ná deze structuurwijziging is komen te vervallen, althans dat hij vanaf toen een andere functie dan Head of Crystallography had, is dit naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. Daarbij betrekt de kantonrechter de volgende omstandigheden. ZoBio heeft gemotiveerd toegelicht en met stukken onderbouwd dat [verzoeker] leiding bleef houden over het kristallografielaboratorium en het team Kristallografie, dat hij vanuit de hoedanigheid van Head of Crystallography werd betrokken bij projectvoorstellen met een kristallografisch component, dat hij verantwoordelijk bleef voor personele aangelegenheden (waaronder recruitment voor het team Kristallografie) en een bijdrage leverde aan (discussies omtrent) strategische investeringen voor het team Kristallografie. ZoBio heeft erop gewezen dat het klopt dat de werkzaamheden van [verzoeker] enigszins waren gewijzigd ten opzichte van het begin, toen het laboratorium nog moest worden opgezet, maar ZoBio heeft aangegeven dat dit nog niet maakt dat zijn functie is komen te vervallen. Tegenover deze concrete onderbouwing heeft [verzoeker] zijn stelling, dat zijn functie is komen te vervallen, onvoldoende concreet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbijgaat. De kantonrechter gaat er daarom voor de verdere beoordeling van uit dat [verzoeker] steeds de functie Head of Crystallography is blijven vervullen. Overigens blijkt uit een e-mailbericht van 9 oktober 2020 ook dat [verzoeker] zich naar buiten toe nog steeds presenteerde als Head of Crystallography.
4.17.
Als gevolg van de financiële omstandigheden heeft ZoBio op 3 oktober 2024 besloten om binnen drie researchgroepen zes arbeidsplaatsen te laten vervallen, waaronder de functie van Head of Crystallography (als onderdeel van de groep Structural Biology). Gezien de beperkte omvang van de teams en de afnemende vraag naar onderzoekswerkzaamheden gericht op kristallografie was het volgens ZoBio niet langer noodzakelijk om hiervoor een specifiek Head of Crystallography aan te houden. Daar komt bij dat verschillende taken van [verzoeker] vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid geleidelijk zijn ondergebracht bij andere collega’s. De leidinggevende taken konden bovendien worden uitgevoerd door het groepshoofd van de groep Structural Biology, die in functie boven Head of Crystallography stond. Daarmee is de functie van Head of Crystallography boventallig geworden, als gevolg waarvan de arbeidsplaats van [verzoeker] is komen te vervallen, aldus ZoBio. [verzoeker] heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de kantonrechter aan dit verweer voorbijgaat. Het verweer van [verzoeker] dat hij - vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid - geen salaris meer ontving waardoor het vervallen van zijn functie niet noodzakelijk was, gaat ook niet op. Dat betekent immers niet, zoals ZoBio onweersproken heeft aangevoerd, dat in de toekomst geen financiële verplichtingen voor ZoBio zouden kunnen ontstaan.
4.18.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat ZoBio voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vervallen van de functie van [verzoeker] als Head of Crystallography in verband met de slechte of slechter wordende financiële situatie en de werkvermindering noodzakelijk was voor een doelmatige bedrijfsvoering.
Geen uitwisselbare functies
4.19.
In het geval er arbeidsplaatsen komen te vervallen, moet worden vastgesteld of sprake is van een unieke functie of van uitwisselbare functies. Dit onderscheid is van belang omdat bij uitwisselbare functies de ontslagkeuze wordt bepaald aan de hand van het afspiegelingsbeginsel. Toepassing van het afspiegelingsbeginsel is niet aan de orde als een unieke functie komt te vervallen, dat wil zeggen een functie die slechts door één werknemer wordt bekleed. ZoBio stelt - zoals het UWV ook heeft overwogen - dat de functie van [verzoeker] een unieke functie betrof, zodat het afspiegelingsbeginsel niet hoeft te worden toegepast. [verzoeker] is het hier niet mee eens. Hij betwist dat sprake is van een unieke functie en meent dat sprake is van uitwisselbare functies.
4.20.
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 13 lid 1 van de Ontslagregeling bepaalt dat een functie uitwisselbaar is met een andere functie, indien:
a. de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en
b. het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.
In lid 2 van artikel 13 is bepaald dat de factoren, bedoeld in het eerste lid, in onderlinge samenhang worden beoordeeld.
4.21.
Uit de toelichting op artikel 13 van de Ontslagregeling volgt dat het bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies gaat om een objectieve, niet aan een individuele werknemer gekoppelde, vergelijking van de functies. Het gaat er dus niet om hoe een individuele werknemer een functie in de praktijk uitoefent, noch of een bepaalde werknemer zowel de ene als de andere functie kan vervullen. Dat het gaat om de functie en niet om de werknemer, betekent niet dat de functie-inhoud en de daarvoor vereiste kennis, vaardigheden en competenties uitsluitend mogen worden vastgesteld aan de hand van de functiebeschrijving, al zal deze beschrijving doorgaans wel een belangrijke bron van informatie zijn. Naast de functiebeschrijving kunnen alle andere omstandigheden van belang zijn die op de gezichtspunten, genoemd in artikel 13 van de Ontslagregeling, een licht kunnen werpen, zoals wat de functie in de praktijk in het algemeen behelst en onder welke algemene omstandigheden de functie moet worden uitgeoefend. Het gaat er bij de beoordeling van uitwisselbaarheid immers om dat een vergelijking tussen functies wordt gemaakt op basis van de werkelijke inhoud ervan.
4.22.
Hiervoor is al overwogen dat als vaststaand wordt aangenomen dat [verzoeker] in de functie van Head of Crystallography werkte. Gesteld noch gebleken is dat naast [verzoeker] nog een Head of Crystallography bij ZoBio in dienst is. Gelet op de in rechtsoverweging 4.15. en 4.16. genoemde werkzaamheden van [verzoeker] , is de kantonrechter met ZoBio van oordeel dat de functie van Head of Crystallography daadwerkelijk een andere functie, met leidinggevende verantwoordelijkheden, is dan de functie van (Senior) Scientist. Zoals het UWV ook heeft overwogen, maakt het feit dat [verzoeker] (ook) in staat is om de functie van (Senior) Scientist uit te voeren niet dat deze functie onderling uitwisselbaar is met de functie van Head of Crystallography. Dat volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit het verschil in beloning dat aan de functies is gekoppeld. Ook is niet komen vast te staan dat de functie van Head of Crystallography uitwisselbaar is met de functie van groepshoofd van de groep Structural Biology. [verzoeker] stelt weliswaar dat het groepshoofd van de groep Structural Biology ook leidinggevende taken heeft, maar ZoBio heeft in haar verweerschrift uitvoerig toegelicht dat deze functie bredere specialistische kennis dan uitsluitend kristallografie vereist. Dit heeft [verzoeker] op zijn beurt niet weersproken. Daarnaast geldt ook hier dat er een aanzienlijk verschil in salariëring bestaat tussen beide functies.
4.23.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] als Head of Crystallography geen functie vervulde die uitwisselbaar is. De functie van [verzoeker] kan daardoor worden gezien als een unieke functie. Dat betekent het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is.
Geen schending herplaatsingsplicht
4.24.
Tot slot dient ZoBio te onderzoeken of herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie mogelijk is. [verzoeker] is van mening dat ZoBio geen enkele inspanning heeft verricht om hem te herplaatsen. ZoBio heeft volgens [verzoeker] geen onderzoek gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden en heeft hierover ook nooit met [verzoeker] gesproken. ZoBio heeft dat gemotiveerd weersproken.
4.25.
Op grond van artikel 9 lid 1 van de Ontslagregeling moeten bij de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is, alle arbeidsplaatsen worden betrokken waarvoor een vacature bestaat of binnenkort zal ontstaan, en ook de arbeidsplaatsen die bezet worden door werknemers die - kort gezegd - tot de flexibele schil behoren. In artikel 9 is eveneens bepaald dat van een passende functie sprake is wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer.
4.26.
De kantonrechter stelt voorop dat de herplaatsginsverplichting geen resultaatsverplichting inhoudt. Het gaat om de vraag wat in de gegeven omstandigheden van een werkgever kan worden gevergd. De kantonrechter is van oordeel dat ZoBio voldoende aannemelijk gemaakt dat zij heeft gekeken naar vacatures binnen haar onderneming en dat er geen vacatures zijn waarin [verzoeker] binnen een redelijke termijn geplaatst zou kunnen worden. [verzoeker] heeft weliswaar betoogd dat hij herplaatst had kunnen worden in de functie van (Senior) Scientist, omdat zijn collega in deze functie een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden kreeg, maar hiervoor is al overwogen dat zowel de functie van Scientist als Senior Scientist voor [verzoeker] geen passende functie was. ZoBio heeft als werkgever bovendien de vrijheid om te beoordelen welke kandidaat het meest geschikt is voor een bepaalde functie. Dat het niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, maakt niet dat ZoBio niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.
Conclusie
4.27.
Uit het voorgaande volgt dat ZoBio de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet in strijd met artikel 7:669 lid 3 sub a BW heeft opgezegd, zodat [verzoeker] geen aanspraak maakt op een billijke vergoeding. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoeker] daarom afwijzen. Hieruit volgt dat ook het verzoek om ZoBio te veroordelen tot het verstrekken van een eindafrekening waaruit de billijke vergoeding zou blijken, voor afwijzing gereedligt.
Nevenvorderingen
Onderzoeksapparatuur
4.28.
[verzoeker] heeft in productie 27 van zijn verzoekschrift verschillende zaken opgesomd waarvan hij afgifte vordert, dan wel waarvoor hij een (schade)vergoeding van ZoBio wil. [verzoeker] stelt - kort gezegd - dat deze zaken aan hem zijn geschonken en dat hij deze bij aanvang van zijn dienstverband ter beschikking heeft gesteld aan ZoBio voor onder andere het opzetten van het kristallografielaboratorium. Die terbeschikkingstelling was volgens [verzoeker] ook een impliciete afspraak bij de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] meent dat hij er daarom van uit mocht gaan dat bij uitdiensttreding de terbeschikkingstelling van de betreffende zaken ook zou eindigen. Hoewel ZoBio betwist dat deze zaken eigendom zijn van [verzoeker] , heeft zij ter zitting toegezegd dat zij de zaken genoemd achter nummers 6 tot en met 10, 13, 14 en 16 tot en met 21 aan [verzoeker] zal teruggeven. De kantonrechter zal de vordering van [verzoeker] dan ook in zoverre toewijzen. De kantonrechter gaat ervan uit dat ZoBio vrijwillig aan de beschikking zal voldoen en ziet daarom geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden.
4.29.
In geschil zijn dan nog de volgende zaken:
1. CF400 (I)
2. Controlling PC CF400 (I)
3. CF400 (II)
4. Controlling PC CF400 (II)
5. CF400 flashlight module
11. CF150
12. Controlling PC CF150
15. Hamilton Microlab (R) Starlet
4.30.
ZoBio heeft gemotiveerd aangevoerd dat de Hamilton (genoemd achter nummer 15), waarvan [verzoeker] afgifte vordert, door haar is aangeschaft en betaald. Dat is door [verzoeker] niet weersproken. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ter zitting aangegeven dat [verzoeker] inderdaad slechts heeft bemiddeld in de aanschaf van dit apparaat door ZoBio en erkend dat daarmee geen sprake is van eigendom van [verzoeker] . De vordering van [verzoeker] ten aanzien van dit apparaat zal daarom worden afgewezen.
4.31.
Ten aanzien van de zaken genoemd achter nummers 1 tot en met 5, 11 en 12 (Crystal Farms) overweegt de kantonrechter het volgende. Op [verzoeker] rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast van zijn stelling, dat deze apparaten zijn eigendom zijn.
4.32.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] , na de gemotiveerde betwisting door ZoBio, onvoldoende aan de hand van concrete feiten of omstandigheden (nader) heeft onderbouwd dat hij deze apparaten in eigendom heeft. De kantonrechter betrekt daarbij het volgende. [verzoeker] stelt weliswaar dat deze zaken aan hem op persoonlijke titel zijn geschonken, maar uit de verklaringen waarnaar [verzoeker] ter onderbouwing van deze stelling verwijst, blijkt dat de zaken zijn afgeleverd aan het adres van ZoBio en zijn geadresseerd aan [verzoeker] in hoedanigheid van Head of Crystallography. Daar komt bij dat ZoBio onweersproken heeft gesteld dat zij voor het transport en het onderhoud van de betreffende zaken heeft betaald en dat [verzoeker] nooit iets heeft hoeven betalen voor enige apparatuur. ZoBio heeft ook onweersproken gesteld dat de zaken altijd bij ZoBio hebben gestaan (en dat sommige zaken al weg zijn gedaan omdat zij niet (meer) bruikbaar werden gevonden). [verzoeker] heeft hiertegenover geen andere feiten of omstandigheden gesteld die, mits bewezen, zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de zaken zijn eigendom zijn (geworden). De enkele omstandigheid dat [verzoeker] via zijn netwerk betrokken is geweest bij de totstandkoming van leveringen aan ZoBio, is in ieder geval onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat de zaken zijn eigendom zijn geworden. De kantonrechter komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan het door [verzoeker] gedane bewijsaanbod. De vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar.
Schadevergoeding ex artikel 7:611 BW
4.33.
[verzoeker] vordert op grond van artikel 7:611 BW schadevergoeding voor de gemaakte juridische (buitengerechtelijke) kosten die voorafgaand deze procedure zijn ontstaan. Hij stelt daartoe dat dit geschil is ontstaan doordat ZoBio onzorgvuldig jegens [verzoeker] heeft gehandeld. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het verzoek om een billijke vergoeding is overwogen, volgt dat niet is komen vast te staan dat ZoBio onzorgvuldig of in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.
Proceskosten
4.34.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van ZoBio worden begroot op € 1.221,00 (€ 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt ZoBio om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] af te geven de zaken genoemd achter nummers 6, 7, 9, 10, 13, 14 en 16 tot en met 21 in productie 27 van het verzoekschrift,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [1]
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte of gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.