ECLI:NL:RBDHA:2025:21601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL25.54202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Marokkaanse asielzoeker tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd ingesteld op grond van een concreet risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en op basis van de Dublinverordeningen.

Eiser betwistte de gronden voor de bewaring en stelde dat hij zich altijd aan het toezicht heeft gehouden, zijn identiteit juist heeft opgegeven en dat een lichter middel, zoals plaatsing in een regulier asielzoekerscentrum, passend zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden, waaronder het niet beschikken over een paspoort en het eerder op onbekende bestemming vertrekken, feitelijk juist zijn en de maatregel kunnen dragen.

De rechtbank vond dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet effectief zou zijn om het onttrekkingsrisico te voorkomen. Ook was de medische zorg in het detentiecentrum adequaat en was eiser niet detentieongeschikt. De ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54202

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van de zaak. Eiser heeft op 6 november 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 7 november 2025 op gereageerd. Op 17 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen en hij zich nimmer heeft onttrokken aan het toezicht. Hij heeft verder altijd zijn juiste identiteit en nationaliteit opgegeven. Daar is in de eerdere asielprocedure niet aan getwijfeld. Verder beschikt hij niet over documenten, maar werkt wel mee aan het verkrijgen ervan. Tot slot verblijft eiser op dit moment in het detentiecentrum in [plaats] en is hij in staat zichzelf te onderhouden.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3a en 3b – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of een voor Nederland geldig visum en hij is volgens zijn verklaringen eerder op een niet voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. [7] Verder is hij op 8 februari 2022 met onbekende bestemming vertrokken. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals plaatsing in een regulier AZC [8] , omdat de maatregel van bewaring zwaar drukt op eiser. Hij is depressief en voelt zich slecht.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om een significant risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Ook is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Ambtshalve toets
7. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Proces-verbaal van gehoor van 5 november 2025, p. 4 van 8.
8.Asielzoekerscentrum.