ECLI:NL:RBDHA:2025:21597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL25.54445
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Portugese vreemdeling, is geconfronteerd met een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Deze maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser betwist de gronden van bewaring en voert aan dat hij niet vrijwillig kon terugkeren naar Portugal vanwege financiële beperkingen en een strafrechtelijke detentie.

De rechtbank stelt vast dat het verwijderingsbesluit van 28 augustus 2025, uitgereikt op 4 september 2025, nog steeds van kracht is en dat de termijn van vier weken om Nederland te verlaten is verstreken. De zware gronden 3b en 3c, die zien op het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig verlaten van Nederland, zijn feitelijk juist en rechtvaardigen de maatregel van bewaring.

De overige gronden behoeven geen nadere bespreking. De ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54445

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van de zaak. Eiser heeft op 11 november 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 12 november 2025 op gereageerd. Op 17 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1992 en heeft de Portugese nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij het verwijderingsbesluit van 28 augustus 2025 op 4 september 2025 heeft ontvangen, maar vanwege het gebrek aan financiële middelen en een strafrechtelijke detentie is het hem niet gelukt om naar Portugal terug te keren. Verder verleent hij alle medewerking om aan originele documenten te komen, beschikt hij over een woonruimte en krijgt hij hulp van zijn familie vanuit Portugal.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3b en 3c – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [5] De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het verwijderingsbesluit van 28 augustus 2025, uitgereikt op 4 september 2025, nog steeds werking heeft nu eiser nog niet naar Portugal is teruggekeerd. De termijn van vier weken waarin eiser Nederland diende te verlaten, is reeds verstreken. Hiermee is de feitelijke juistheid van de zware gronden 3b en 3c gegeven, zodat verweerder deze dan ook terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
5. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.