ECLI:NL:RBDHA:2025:21534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
23/4290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur en oplegging van een last onder dwangsom

Deze uitspraak betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur. Eiser had een aanvraag ingediend voor het bouwen van een nieuwe schuur en het verwijderen van een oude schuur. Het college heeft de aanvraag afgewezen en een last onder dwangsom opgelegd om de schuur te verwijderen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van eiser ongegrond is. De rechtbank concludeert dat de schuur in strijd is met het bestemmingsplan en dat de weigering van de omgevingsvergunning gerechtvaardigd is. Eiser heeft aangevoerd dat er slechts een geringe afwijking van het bestemmingsplan nodig is, maar de rechtbank volgt dit betoog niet. De rechtbank oordeelt dat het college op goede gronden heeft gesteld dat de schuur afbreuk doet aan het bebouwingbeeld en dat de afwijking van het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen sprake is van een schending van het fair play-beginsel door het college. De uitspraak is gedaan op 3 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.R.D.A. Buren-Baks),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas

(gemachtigde: [naam 1] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur aan de [adres] in [plaats] heeft mogen weigeren. Verder gaat de uitspraak over de vraag of het college een last onder dwangsom heeft mogen opleggen om de schuur te verwijderen en verwijderd te houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 12 januari 2023 (primair besluit 1) heeft het college eisers aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur aan de [adres] in [plaats] , afgewezen.
2.1.
Bij besluit van 6 februari 2023 (primair besluit 2) heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Eiser is wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gelast om binnen zes weken na verzenddatum van het besluit het bouwwerk te verwijderen en verwijderd te houden. Wanneer niet aan de last wordt voldaan, wordt eenmalig een dwangsom van € 7.500,- verbeurd.
2.2.
Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van
16 mei 2023 heeft het college de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en [naam 2] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 2 december 2019 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft het bouwen van een nieuwe schuur en het verwijderen van de oude schuur. Het bouwplan voorziet in een schuur die tegen de rechter zijgevel van de woning wordt gebouwd. Op 25 februari 2020 hebben de welstandscommissie en de afdeling Ruimtelijke Ordening negatief geadviseerd over het bouwplan. Eiser is in de gelegenheid gesteld het bouwplan aan te passen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid en de aanvraag ingetrokken.
3.1.
Op 11 september 2020 heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) een anonieme klacht ontvangen over de bouw van een schuur naast de woning.
3.2.
Op 8 oktober 2020 heeft een toezichthouder geconstateerd dat er een schuur was gebouwd van 60 m2 met een goothoogte van 3,58 meter en een bouwhoogte van 4,32 meter. Vervolgens heeft het college op 19 februari 2021 een constateringsbrief verstuurd en verzocht de schuur te verwijderen of binnen vier weken een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen.
3.3.
Op 17 augustus 2022 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de schuur nog aanwezig was. Vervolgens heeft het college een brief verzonden met het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. In de brief is verzocht om binnen vier weken de overtreding te beëindigen of een omgevingsvergunning aan te vragen.
3.4.
Na verlenging van de begunstigingstermijn, heeft eiser op 19 oktober 2022 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Bij primair besluit 1 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij primair besluit 2 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
3.5.
Bij het bestreden besluit is het college bij de primaire besluiten gebleven.
Overgangsrecht met betrekking tot de omgevingsvergunning
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 19 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
5.1.
Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, dient de aanvraag, indien er sprake is van een strijdigheid met het bestemmingsplan, gezien te worden als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan.
5.2.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
5.3.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor zover hier van belang, is het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo, en daarmee in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen voor een bijbehorend bouwwerk.
Het bestemmingsplan
6. Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan). Het perceel heeft daarin – voor zover hier van belang – de bestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waterstaat”.
6.1.
In artikel 6.2.1 van het bestemmingsplan zijn regels gesteld voor het bouwen van gebouwen. Ingevolge lid c van dit artikel bedraagt de dakhelling van gebouwen ten minste 45 graden. Ingevolge lid f van dit artikel mag de bouwhoogte van aan- en uitbouwen maximaal de hoogte van de eerste volledige bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m bedragen, met een maximum van 4 meter.
6.2.
Op grond van artikel 8.2.1 van het bestemmingsplan mag in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de bestemming “Waterstaat”.
Mocht het college weigeren om van het bestemmingsplan af te wijken?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuur in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan en dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de schuur alleen kan worden verleend door af te wijken van het bestemmingsplan.
7.1.
Eiser voert aan dat het college een omgevingsvergunning had moeten verlenen. Volgens eiser is slechts een geringe afwijking van het bestemmingsplan nodig, die ook past binnen het kruimelgevallenbeleid [1] van de gemeente. De schuur heeft een bouwhoogte van 4,32 meter in plaats de in het bestemmingsplan opgenomen maximum bouwhoogte van
4 meter voor aan- en uitbouwen. Dat is een geringe afwijking, aldus eiser. Verder betoogt eiser dat het college niet heeft onderkend dat de schuur een bijgebouw is, waarvoor op grond van artikel 6.2.1, lid g, van het bestemmingsplan een maximum bouwhoogte van
5 meter geldt en een maximum goothoogte van 3 meter. Daarvan uitgaande is er volgens eiser alleen een geringe afwijking van de goothoogte, omdat de schuur een goothoogte heeft van 3,58 meter.
7.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de schuur geen aanbouw is, maar een uitbouw. Op grond van de in artikel 1 van het bestemmingsplan opgenomen begripsbepalingen wordt onder een “bijgebouw” verstaan: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonische opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Onder “aan- en uitbouw” wordt verstaan: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De rechtbank overweegt dat de schuur een afzonderlijke ruimte is die aan het hoofdgebouw – de woning – is gebouwd en ook in directe verbinding staat met de woning. De directe verbinding tussen de woning en de schuur wordt onderstreept doordat de woning aan de voorzijde alleen via de schuur toegankelijk is. De voordeur van de woning is onderdeel van de schuur. Ook aan de overige kenmerken van een aanbouw, die overigens niet afwijken van de definitie van een bijgebouw, wordt voldaan. De schuur kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en is daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt. Het college is er daarom op goede gronden van uitgegaan dat de bouwhoogte van de schuur op grond van het bestemmingsplan maximaal 4 meter mag bedragen, terwijl de goothoogte maximaal 0,25 meter hoger mag zijn dan de goothoogte van de woning.
7.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.4.
Het college stelt zich op het standpunt dat voor de schuur een meer dan geringe afwijking van het bestemmingsplan nodig is en dat die afwijking in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De schuur doet volgens het college afbreuk aan het bebouwingbeeld, door de vormgeving van het bouwwerk die het midden houdt tussen een volume met een plat dak en een zadeldak dat is afgeknot. Er is een vreemde goot ontstaan die onder die van de woning begint en opgetrokken wordt om een bepaalde gewenste hoogte te halen, aldus het college. Daarmee ontstaat een onduidelijke verhouding tussen het hoofdgebouw en het aangebouwde bouwwerk. Bij een plat bouwwerk dat lager ligt dan de goot van de woning is die verhouding wel duidelijk. Verder vindt het college dat de schuur afbreuk doet aan het bebouwingsbeeld en aan het open karakter van de naar het openbaar gebied gerichte zijden van de woning. Afwijking van het bestemmingsplan is volgens het college daarom ook niet in overeenstemming met het kruimelgevallenbeleid, dat bouwwerken in beginsel niet toestaat in het voorerfgebied, vanuit het stedenbouwkundige argument om het open karakter te behouden.
7.5.
Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen dat de stellen dat de schuur afbreuk doet aan het bebouwingbeeld en het open karakter van de naar het openbaar gebied gerichte zijden van de woning. Daarmee heeft het college toereikend gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De voorbeelden die eiser noemt van bebouwing in de omgeving geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de in het beroepschrift opgenomen afbeelding van de belendende woning blijkt dat aan die woning een garage is gebouwd. De hoogte van die garage blijft onder de goot van de woning en die garage ligt ook niet op korte afstand van openbaar gebied. Over de bebouwing schuin tegenover de woning van eiser heeft het college onbetwist gesteld dat het gaat om bebouwing op percelen met een agrarische bestemming die vallen onder een ander bestemmingsplan. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat het vanwege de complexe vormgeving van die bebouwing onbegrijpelijk is dat het college niet wil afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de schuur.
Overgangsrecht met betrekking tot de last onder dwangsom
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerking van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeur den betaald, of de last is opgeheven.
8.1.
Bij besluit van 6 februari 2023 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
De overtreding
9. Niet in geschil is dat eiser de aanbouw heeft gebouwd zonder over een daarvoor benodigde omgevingsvergunning te beschikken. Gelet daarop staat de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo vast.
Beginselplicht tot handhaving
10. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zich op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordien bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [2]
Is er concreet zicht op legalisatie?
11. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] volgt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. In het voorliggende geval heeft het college geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, voordat de last werd opgelegd. In het bestreden besluit is het college bij deze weigering gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, houdt dat besluit stand.
Evenredigheid12. Het betoog van eiser dat handhavend optreden onevenredig is, slaagt niet. Dat het afbreken van de schuur nadelige financiële gevolgen voor eiser heeft betekent niet dat handhavend optreden onevenredig is. Het bouwen zonder een daarvoor benodigde vergunning komt voor risico van eiser. [4]
Schending van het fair play-beginsel?
13. Eiser voert aan dat er sprake is van een schending van het fair play-beginsel, vanwege de wijze waarop toezichthouders hem en zijn echtgenote hebben bejegend. Hij wijst erop dat een toezichthouder bij een bezoek aan zijn perceel tegen zijn echtgenote over de schuur heeft gezegd dat zij daar ook nog niet van af was, nadat over een houten speelhuisje in de tuin was gezegd dat het onzeker was of dat kon blijven staan.
13.1.
Het college betwist dat sprake is van een schending van het fair play-beginsel. Hoewel het onwenselijk is als een toezichthouder op de door eiser geschetste wijze zijn mening geeft over handhavend optreden, heeft het college zelf op basis van een juridische toets vastgesteld dat sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden.
13.2.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met het fair play-beginsel. De door eiser beschreven bejegening door een toezichthouder wijst er niet op dat het college vooringenomen is geweest bij het nemen van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
14.1.
Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Ince, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beleidsregel voor toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918.
4.Uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1175.