Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
NL24.14242
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk na intrekking terugkeerbesluit wegens verblijf in Portugal

Eiser maakte bezwaar tegen een terugkeerbesluit van 6 augustus 2025, waarin hij werd verplicht Nederland binnen vier weken te verlaten. Tijdens de procedure heeft de minister van Asiel en Migratie het besluit ingetrokken nadat was vastgesteld dat eiser rechtmatig in Portugal verbleef.

De rechtbank behandelde het beroep op 1 oktober 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank vroeg eiser of hij het beroep wilde handhaven, maar ontving geen reactie. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat het beroep geen procesbelang meer heeft.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister in de proceskosten van €907, omdat het beroep bij indiening terecht was. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier M.E. Jans op 24 oktober 2025.

Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het terugkeerbesluit en gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14242

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 6 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na de uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten. Op 29 september 2025 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken omdat is gebleken dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning in Portugal.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
3. Op 1 oktober 2025 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd om aan te geven of hij zijn beroep nog wenst te handhaven gelet op de intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat eiser hier niet op heeft gereageerd en dat eiser niet ter zitting is verschenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het voortzetten van dit beroep tegen het ingetrokken besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Uit het bericht waarmee verweerder heeft medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken, volgt dat het beroep op het moment van instellen terecht was. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907. [1]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.