ECLI:NL:RBDHA:2025:21417

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
NL25.33254 en NL25.33255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Iraakse christen met verblijfsvergunning ingetrokken

Eiser, een Iraakse christen die bijna 26 jaar in Nederland verbleef en wiens verblijfsvergunning asiel in 2020 werd ingetrokken wegens gevaar voor de openbare orde, diende een opvolgende asielaanvraag in. De rechtbank beoordeelde of eiser aannemelijk had gemaakt dat hij zijn Iraakse nationaliteit niet langer bezit en of hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege zijn geloof of verwestering.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet slaagde in de bewijslast om aan te tonen dat hij de Iraakse nationaliteit niet meer bezit, mede omdat hij geen relevante stukken of wetgeving overlegd had en eerdere procedures zijn nationaliteit hadden bevestigd. Daarnaast werd vastgesteld dat het ambtsbericht Irak 2023 geen aanwijzingen gaf voor een reëel risico op vervolging van christenen in Bagdad, noch dat verwestering leidt tot vervolging of ernstige schade.

Verweerder had de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond en een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. Ook de stelling dat verweerder onderzoek had moeten doen naar een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldcriterium werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens onvoldoende aannemelijkheid van verlies Iraakse nationaliteit en risico op vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33254 (beroep) en NL25.33255 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is het met verweerder eens dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij de Iraakse nationaliteit niet meer heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een risico loopt op vervolging of een reëel risico op ernstige schade.

Achtergrond en eerdere procedures

2. Eiser is geboren op [datum] 1991 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is bij besluit van 13 maart 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het oude artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Bij besluit van 22 maart 2006 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 28 januari 2006. Deze verblijfsvergunning is door verweerder met het besluit van 20 november 2020 ingetrokken (met terugwerkende kracht tot 8 februari 2014), omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is meerdere keren onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie of meer jaren is bedreigd. De intrekking van eisers verblijfsvergunning levert geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM [1] op. Bij de intrekking is ook een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Verweerder heeft zich ten aanzien van het terugkeerbesluit op het standpunt gesteld dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel van het 3 van het EVRM, en dat hij daarom niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. Op eiser rust wel een vertrekplicht.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. Op 23 maart 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem dit beroep ongegrond verklaard [2] . Op 16 mei 2022 is het door eiser ingestelde hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook ongegrond verklaard [3] . Daarmee is de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel in rechte vast komen te staan.
2.2.
Op 19 september 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER omdat hij verblijf wenst bij zijn minderjarige Nederlands kind (Chavez-aanvraag). Deze aanvraag is door verweerder op 6 december 2023 afgewezen. Met het besluit van 26 juni 2024 is het bezwaar van eiser tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.
2.3.
Op 14 april 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 heeft eiser deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, gemachtigde van eiser en gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zichzelf Nederlander voelt. Hij is opgegroeid met Nederlandse normen en waarden en de Nederlandse cultuur. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij christen is en dit geloof ook verkondigt. Verder heeft hij drie kinderen in Nederland en de moeder, broers en zussen van eiser verblijven ook in Nederland. Bij terugkeer naar Irak verwacht eiser problemen vanwege zijn religie, uiterlijk en zijn doen en laten.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, onder g en j, van de Vw. Verweerder heeft ook een aanvullend terugkeerbesluit en een besluit tot signalering opgelegd. Verweerder gaat uit van het volgende asielmotief:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
Verweerder acht dit asielmotief geloofwaardig. Verweerder vindt de verklaringen van eiser over zijn identiteit en herkomst geloofwaardig. Ook vindt verweerder het geloofwaardig dat eiser sinds jonge leeftijd woonachtig is in Nederland, dat hij tatoeages heeft en het christelijk geloof aanhangt. Verweerder acht het niet geloofwaardig dat eiser de Iraakse nationaliteit niet (langer) heeft.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op grond van zijn christelijk geloof en de wijze waarop hij dat uit te vrezen heeft voor vervolging in Irak. Verder stelt verweerder over eisers tatoeages en westerse kledingstijl dat uit landeninformatie blijkt dat het in Bagdad en grotere steden gangbaar is om mannen en vrouwen met tatoeages, geblondeerd haar of andere als Westers beschouwde kleed- of leefstijlen te zien in het openbaar. Verweerder benoemt dat uit landeninformatie volgt dat tatoeages in Bagdad tegenwoordig zichtbaarder waren in het openbare leven en dat in Bagdad met name jongeren zich minder conformeren aan gangbare kledingstijlen. De omstandigheden die eiser heeft geschetst, als voorbeeld van dat hij andere normen en waarden heeft dan mensen in Irak, kwalificeren volgens verweerder niet als een zodanig ernstige mensenrechtenschending op grond waarvan er sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer enigszins aanpast aan de normen en waarden die in Irak gelden. Verweerder stelt – met dezelfde motivering – dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM loopt.
4.3.
Verweerder heeft een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd omdat niet langer wordt
aangenomen dat er redenen zijn om eiser niet uit te zetten naar Irak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Irak thans te vrezen heeft voor vervolging of dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft ook getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM en verwijst ter motivering hiervoor naar eerdere besluiten [4] , waarin al is beoordeeld dat eisers belang om in Nederland te blijven niet opweegt tegen het belang van de openbare orde.
Had verweerder nader onderzoek moeten doen of eiser nog in het bezit is van de Iraakse nationaliteit?
5. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij de Iraakse nationaliteit bezit. Hij voert aan dat verweerder nader onderzoek had moeten doen of eiser nog in bezit is van de Iraakse nationaliteit. Eiser stelt dat hij niet in de omstandigheid verkeert om aannemelijk te maken dat hij niet meer de Iraakse nationaliteit heeft. Hij verblijft in detentie en is daarom niet in staat de Iraakse ambassade te bezoeken. Hij stelt dat Nederland ook wetgeving heeft waaruit volgt dat je je nationaliteit kan verliezen als je lange tijd buiten Nederland woont. Verweerder brengt verder slechts naar voren dat eiser op 7 januari 2025 een gesprek heeft gehad met de consul van Irak en dat op 16 januari 2025 een nationaliteitsvaststelling is ontvangen. Nu deze nationaliteitsvaststelling niet is bijgevoegd als bijlage, is dit standpunt niet onderbouwd. Daarnaast heeft dit nu, een halfjaar later, nog steeds niet geleid tot afgifte van een laissez-passer. Verweerder heeft slechts een onvertaalde, niet op echtheid gecontroleerd identiteitsdocument en een geboorteakte overgelegd. Eiser voert aan dat op grond van een geboorteakte zijn nationaliteit niet kan worden bepaald. Het identiteitsdocument is onvertaald en niet voorzien van echtheidsonderzoek door Bureau Documenten. Daarom kan dit document ook niet de Iraakse nationaliteit van eiser onderbouwen.
5.1.
Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de stelplicht en bewijslast bij eiser ligt, niet bij verweerder. Aan eiser is immers eerder een verblijfsvergunning asiel verleend vanwege het categoriaal beschermingsbeleid Irak (op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw). In die procedure is eisers Iraakse nationaliteit geloofwaardig gevonden, onder meer op basis van de stukken die namens eiser bij deze aanvraag zijn overgelegd (de geboorteakte en het identiteitsdocument). Deze stukken bevinden zich in het huidige procesdossier. Ten overvloede heeft verweerder in beroep stukken van DT&V [5] met betrekking tot de nationaliteitsvaststelling van eiser overgelegd. Daaruit blijkt dat de Iraakse consul op 16 januari 2025 mondeling heeft verklaard dat eiser de Iraakse nationaliteit bezit. Het laissez-passer traject voor eiser was in gang gezet, maar is onderbroken door de opvolgende asielaanvraag van eiser.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij de Iraakse nationaliteit niet meer heeft. De stelplicht en bewijslast betreffende zijn asielrelaas liggen immers bij de vreemdeling. Daarbij komt dat eiser een verblijfsvergunning heeft gehad op grond van het categoriaal beschermingsbeleid Irak. Destijds zijn een geboorteakte en een identiteitskaart van eiser overgelegd waarmee eiser zijn Iraakse nationaliteit heeft onderbouwd. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser in eerdere procedures zijn Iraakse nationaliteit niet heeft bestreden heeft.
5.3.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Iraakse nationaliteit niet meer heeft. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit dat zou volgen. Eiser heeft daarnaast geen informatie overgelegd, zoals Iraakse nationaliteitswetgeving, waaruit volgt dat hij door zijn verblijf in Nederland niet langer de Iraakse nationaliteit heeft. De stelling van eiser dat de nationaliteitsvaststelling door de Iraakse consul slechts mondeling is gegeven en daarom niet kan gelden als onderbouwing van zijn Iraakse nationaliteit, maakt dit oordeel ook niet anders. Zoals hiervoor is overwogen, ligt het immers op de weg van eiser om te onderbouwen dat hij de Iraakse nationaliteit niet langer heeft. Voor zover eiser twijfelt aan de echtheid van de geboorteakte en het identiteitsdocument die in zijn eerdere asielprocedure zijn overgelegd, is het aan hem is om deze documenten te laten onderzoeken op echtheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder er vanuit mocht gaan dat eiser nog in het bezit is van de Iraakse nationaliteit. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer een risico op vervolging of schending van artikel 3 van Pro het EVRM?
6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omstandigheden dat eiser verwesterd is en het christelijk geloof aanhangt niet maken dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging in Irak. Verweerder had bij de beoordeling van deze aanvraag niet voorbij mogen gaan aan de omstandigheid dat eiser al bijna 26 jaar onafgebroken in Nederland verblijft, bijna geen Arabisch spreekt en helemaal geen Koerdisch spreekt. Eiser zou niet weten hoe hij zich zou moeten aanpassen aan de Iraakse cultuur. Hij heeft zeventien jaar lang rechtmatig in Nederland verbleven en er is al meerdere keren tevergeefs geprobeerd eiser terug te sturen naar Irak. Hij heeft geen familie meer in Irak en de meeste van zijn familieleden wonen in Nederland. Ook door zijn uiterlijke verschijning zal hij problemen krijgen bij terugkeer. Eiser heeft daarnaast documenten overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van christenvervolging in Irak. De stukken zien ook op personen die niet bekeerd zijn tot het christendom, maar al vanaf hun geboorte het christelijk geloof aanhangen. Daarnaast spelen families in Irak een belangrijke rol in de maatschappij, en de familie van eiser staat bekend als christen en is gevlucht vanwege het christelijk geloof. Eiser zal grote problemen krijgen in Irak vanwege zijn geloof.
Christelijk geloof
6.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel op 20 november 2020 heeft aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het risico op ernstige schade werd aangenomen omdat destijds in het beleid was bepaald dat christenen uit Irak als kwetsbare minderheidsgroep werden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat dit beleid op 27 juni 2024 gewijzigd is [6] naar aanleiding van het ambtsbericht van 2023 [7] en dat christenen vanaf dat moment niet langer aangemerkt worden als risicoprofiel (voorheen kwetsbare minderheidsgroep). Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen risico loopt op vervolging of ernstige schade als christen en verwijst hiervoor naar het ambtsbericht van 2023.
6.2.
Nu eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Irak gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Het standpunt van verweerder, dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt, toetst de rechtbank vol en ex nunc.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser op grond van zijn christelijk geloof en de wijze waarop hij die uit, te vrezen heeft voor vervolging in Irak dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar het meest recente ambtsbericht Irak van 2023. Daaruit blijkt dat de Iraakse grondwet vrijheid van godsdienst garandeert voor iedere burger en dat christenen hierin expliciet genoemd worden. Het ambtsbericht 2023 verwijst naar verschillende gebieden waar het mogelijk is om in vrijheid het christelijk geloof te belijden. Eiser komt uit Bagdad en daar bevinden zich christelijke gemeenschappen. Verweerder benoemt hierbij dat in de verslagperiode van het Algemeen Ambtsbericht Irak van 2021 er in Bagdad geen gevallen bekend zijn van christenen die het slachtoffer werden van geweld enkel vanwege hun religie. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat uit het ambtsbericht van 2023 volgt dat er in de verslagperiode grote verbeteringen zijn in de mate waarin Irakezen in hun dagelijks leven hun godsdienst of levensovertuiging kunnen beleven. De rechtbank volgt deze lezing van het ambtsbericht [8] niet volledig, nu het ambtsbericht 2023 [9] ook vermeldt dat uit een onderzoek blijkt dat onder verschillende bevolkingsgroepen in Irak veel christenen en Jezidi’s discriminatie zouden ervaren. Dit laat onverlet dat uit het ambtsbericht niet volgt dat sprake is van zodanige discriminatie dat personen die het christendom aanhangen op grote schaal te maken krijgen met ernstige beperkingen in het uiten en belijden van hun geloof, noch dat zij bij terugkeer in algemene zin en op grote schaal te vrezen hebben voor vervolging of ernstige schade vanwege hun religie. Eiser heeft dat risico met de door hem overgelegde bijlagen over christenvervolging niet onderbouwd. Eiser verwijst naar webpagina’s van OpenDoors en van stichting HVC. Deze bijlagen bevatten geen datering, zodat niet duidelijk is over welke periode de berichten gaan. Ter zitting kon eiser hierover ook geen duidelijkheid geven. Verder schetsen de bijlagen een algemeen beeld over de situatie van christenen in Irak en de Koerdische Autonome Regio en gaat het over christenen met een moslimachtergrond. Niet is duidelijk in hoeverre de stukken op eiser van toepassing zijn. De verwijzing naar deze bijlagen maken het oordeel dan ook niet anders.
Verwestering
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser op grond van zijn verwestering te vrezen heeft voor vervolging in Irak dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat het ambtsbericht van 2023 vermeldt dat tatoeages in Bagdad tegenwoordig zichtbaarder zijn in het openbare leven en dat met name jongeren in Bagdad zich minder zouden conformeren aan gangbare kledingstijlen. De rechtbank volgt daarnaast ook het standpunt van verweerder dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich enigszins aanpast en conformeert aan de normen en waarden zoals die in Irak gelden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het ambtsbericht van 2023 niet dat het feit dat eiser verwesterd is maakt dat hij risico loopt om vervolgd te worden of een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser heeft geen informatie overgelegd waarmee hij zijn stelling dat hij risico loopt heeft onderbouwd.
Tussenconclusie
7.
De rechtbank begrijpt dat het voor eiser ingrijpend zal zijn om na bijna 26 jaar in Nederland te hebben verbleven, terug te keren naar Irak. Zij is echter van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden dat hij christen is en verwesterd is maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Irak. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder onderzoek moeten doen naar een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldcriterium?
8. Eiser voert aan dat verweerder onderzoek had moeten doen naar een eventuele verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldcriterium en de DT&V om advies had moeten vragen. Hierbij is van belang dat onderzocht moet worden of eiser nog wel de Iraakse nationaliteit heeft.
8.1
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het eiser vrij staat om een aanvraag voor een verblijfsvergunning ‘buitenschuld’ in te dienen. Verweerder hoeft niet ambtshalve te toetsen of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning, omdat er sprake is van een herhaalde aanvraag en eiser een zwaar inreisverbod heeft. De rechtbank volgt dit standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
9. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat verweerder rekening had moeten houden met een mogelijke schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Hij heeft namelijk hij drie kinderen in Nederland.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen, bij het opleggen van het aanvullend terugkeerbesluit, wel heeft getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel in 2020 en de afwijzing van zijn Chavez-aanvraag in 2024 al getoetst is aan artikel 8 van Pro het EVRM. Er is geen schending van artikel 8 EVRM Pro vastgesteld omdat eisers belang om in Nederland te blijven niet opweegt tegen het belang van de openbare orde. Hierbij is de omstandigheid dat eiser drie kinderen heeft in Nederland ook betrokken. Eiser heeft in de zienswijze geen gronden gericht tegen deze beoordeling. In het bestreden besluit is het voornemen herhaald en ingelast. De rechtbank volgt verweerder in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat het bestreden besluit in stand kan blijven nu niet is gebleken dat er sindsdien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Zaaknummer: NL20.21647.
3.Zaaknummer: 20220241912/V3.
4.Van 20 november 2020 en van 26 juni 2024.
5.Dienst Terugkeer en Vertrek.
6.Staatscourant 2024, nr. 19165 en Kamerstukken II, 2023-24, 19637 nr. 3252.
7.Algemeen Ambtsbericht Irak 2023.
8.Algemeen Ambtsbericht Irak 2023, p. 55.
9.Algemeen Ambtsbericht Irak 2023, p. 55.