Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
NL25.51442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 19 ProcedurerichtlijnArt. 20 ProcedurerichtlijnArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt voor Duitsland vanwege toegenomen anti-moslim haatmisdrijven en ontoereikende rechtsbijstand in de Duitse asielprocedure, waardoor een reëel gevaar voor refoulement zou bestaan. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systemische tekortkomingen in Duitsland die het vertrouwensbeginsel zouden doorbreken. Ook is onvoldoende gebleken dat eiser geen effectieve rechtsbijstand kan verkrijgen.

Daarnaast stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege bijzondere, individuele omstandigheden. De rechtbank verwierp dit omdat eiser niet heeft aangetoond dat dergelijke omstandigheden aanwezig zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van de minister in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51442

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Duitsland niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Duitsland is het aantal anti-moslim haatmisdrijven toegenomen, net als het aantal fysieke aanvallen op moslims. De Duitse overheid schiet tekort in de bescherming van moslims tegen haat, racisme en discriminatie. Eiser kan hierover niet op effectieve wijze klagen bij de autoriteiten in Duitsland.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mag voor Duitsland in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [2] Wat betreft het betoog dat discriminatie van moslims in Duitsland toeneemt, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat (daardoor) sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure, zodat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is hier niet in geslaagd. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij slachtoffer is geworden van discriminatie of moslimhaat. Bij voorkomende problemen in Duitsland kan eiser zich richten tot de (hogere) autoriteiten in Duitsland. Uit de verklaringen van eiser is niet gebleken dat hij heeft geprobeerd te klagen bij de autoriteiten in Duitsland. Daardoor is niet gebleken dat de autoriteiten in Duitsland eiser niet zouden willen helpen.
5.2.
Eiser betoogt verder dat er in Duitsland onvoldoende toegang is tot rechtsbijstand in de asielprocedure. Hij heeft tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag geen rechtsbijstand en krijgt die ook niet in beroep tegen een eventuele afwijzende beslissing. Daarmee ontstaat een reëel gevaar voor refoulement. Er wordt niet voldaan aan artikel 20 van Pro de Procedurerichtlijn.
5.3.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het AIDA-rapport (update juli 2024), waarnaar eiser in zijn zienswijze heeft verwezen, volgt dat asielzoekers zich tijdens een asielprocedure kunnen laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener, maar dat zij dit zelf dienen te betalen. Als beroep wordt ingesteld bij een rechtbank kan om gratis rechtsbijstand worden verzocht, maar dit verzoek wordt wel onderworpen aan een ‘merits-test’, waarbij wordt getoetst of geen sprake is van een kansloos beroep. Dit is niet in strijd met de Procedurerichtlijn. Lidstaten zijn ingevolge artikel 19 van Pro de Procedurerichtlijn weliswaar verplicht de vreemdeling gedurende de gehele procedure van juridische informatie te voorzien, maar kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging (wat dus verder gaat dan enkel informatievoorziening) is ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn alleen verplicht in de beroepsprocedure. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn mogen lidstaten bovendien bepalen dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Aangezien in Duitsland het verzoek om kosteloze rechtsbijstand door een rechterlijke instantie wordt getoetst, mag ervan worden uitgegaan dat die instantie het verzoek conform de Procedurerichtlijn behandelt.
Had de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
6. Eiser voert aan dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen, omdat eiser bij terugkeer naar Duitsland onvoldoende bescherming kan krijgen van de Duitse autoriteiten.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij geen toepassing hoeft te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiser is hier niet in geslaagd. Ook zijn de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd al betrokken bij de vraag of voor Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij verwijst de rechtbank naar vaste rechtspraak van de Afdeling, [3] waaruit volgt dat hiervoor verwezen mag worden naar wat de minister eerder bij de behandeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft overwogen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
3.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.