ECLI:NL:RBDHA:2025:2127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4800
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.1b, derde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Eiser, een Poolse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 29 januari 2025 staande gehouden en vervolgens de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser betwist de gronden voor de maatregel en het voortraject, met name de wijze van staandehouding en overbrenging.

De rechtbank oordeelt dat de staandehouding op een juiste wettelijke grondslag plaatsvond, namelijk een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Wel is vastgesteld dat eiser ten onrechte werd overgebracht op grond van artikel 50, derde lid, Vw, omdat zijn identiteit op dat moment nog niet vaststond. Dit gebrek leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de maatregel zelf, maar wel tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat de zware gronden voor de bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig verlaten van Nederland na beëindiging van het verblijfsrecht, feitelijk juist zijn. De lichte gronden behoeven geen nadere bespreking omdat zij de maatregel niet onrechtmatig maken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €907 vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.4800

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 4 februari 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 5 februari 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 14 februari 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Staandehouding, overbrenging en ophouding
2. Eiser voert aan dat het hem onduidelijk is waarom hij is staande gehouden. Het hierover opgemaakte proces-verbaal staandehouding M105 is volgens hem niet duidelijk: Eiser leidt uit het proces-verbaal enerzijds af dat van hem eerst een identiteitsbewijs is gevorderd en dat daarna bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had, anderzijds leest eiser dat het identiteitsbewijs is gevorderd op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verder wijst hij erop dat hij is overgebracht op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld.
3. Uit het proces-verbaal van de staandehouding, overbrenging en overdracht M105 van 29 januari 2025 en het ter verdere toelichting hierop, op 5 februari 2025, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen HV11 van de vreemdelingenpolitie bij de politie-eenheid Zeeland West-Brabant blijkt dat eiser op 29 januari 2025 om 10:35 door bijzondere opsporingsambtenaren van de gemeente Tilburg is aangetroffen bij een controle op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. Eiser kon daarbij zijn identiteit niet aantonen. Om de identiteit van eiser te kunnen vaststellen, hebben de gemeentelijke opsporingsambtenaren de hulp ingeroepen van het basisteam van de politie te Tilburg. Nadat uit controle in de politiesystemen bleek dat eiser onder de door hem opgegeven gegevens geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, hebben de politieambtenaren van het basisteam Tilburg contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie te Breda. Eerst hierna zijn de verbalisanten van de vreemdelingenpolitie ter plaatse gekomen en hebben zij eiser om 10:45 staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw, Naar het oordeel van de rechtbank bestond daarbij op het moment van staandehouden een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf, zodat de staandehouding is geschied op de juiste grondslag.
4. Op grond van de gang van zaken zoals vastgelegd in de genoemde processen-verbaal kan echter niet worden gezegd dat de identiteit van eiser vaststond op het moment dat hij werd overgebracht naar de plaats van verhoor. Gelet hierop is eiser ten onrechte op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw overgebracht naar de plaats van verhoor. Bedoeld gebrek leidt echter niet tot de onrechtmatigheid van de maatregel. Voor zover eisers identiteit op het moment van overbrenging nog niet vaststond, geldt dat artikel 50, tweede lid, van de Vw voorziet in een wettelijke grondslag. Het geconstateerde gebrek leidt wel tot de veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser.
Maatregel van bewaring
5. Bij besluit van 4 oktober 2024, aan eiser uitgereikt op 9 oktober 2024, is vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland is geëindigd. Nu eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, was verweerder bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
-3b. Zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. Eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt eiser daarbij dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, gezien op strafrechtelijke gronden regelmatig contact heeft plaatsgevonden tussen eiser en de autoriteiten. Ook betwist eiser de zware grond 3c, omdat eiser niet duidelijk is uitgelegd dat hij een maand de tijd had om Nederland vrijwillig te verlaten. Er dient daarom een proces-verbaal van de uitreiking te worden overgelegd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware gronden feitelijk juist zijn. Dat eiser om andere redenen contact heeft gehad met de autoriteiten, doet er niet aan af dat eiser zich niet in het kader van het vreemdelingentoezicht heeft gemeld en zich daardoor (steeds) heeft onttrokken aan dat toezicht. De feitelijke juistheid van zware grond 3b staat daarom vast. Uit eisers verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel volgt verder dat hij na de intrekking van zijn verblijfsrecht het grondgebied van de Europese Unie niet heeft verlaten. Uit het door verweerder in beroep overgelegde uitreikingsblad behorende bij het besluit van 4 oktober 2024 volgt dat het besluit aan eiser in persoon is uitgereikt op 9 oktober 2024 en dat de strekking van het besluit hem met behulp van een tolk Pools, is meegedeeld. Gelet hierop moet ervan uit worden gegaan dat eiser bekend was met het eindigen van zijn rechtmatig verblijf in Nederland en de opdracht om terug te keren naar Polen. De feitelijke juistheid van zware grond 3c staat daarom vast. De zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en een risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enige moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. In verband met het vastgestelde gebrek in het voortraject zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een factor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 17 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.