ECLI:NL:RBDHA:2025:21247
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke familie- en gezinsrelatie
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van familie- en gezinsleven. De aanvrager, eiser, stelt dat hij de minderjarige zoon is van de referent die de aanvraag indiende. De minister wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt en het middelenvereiste niet werd voldaan.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat de familie- en gezinsrelatie niet aannemelijk is gemaakt, mede door het ontbreken van vermelding van eiser in eerdere procedures en de late registratie van zijn geboorte. De technisch echte documenten van Bureau Documenten bieden onvoldoende bewijs vanwege onduidelijkheid over inhoud en afgifte. Ook de verklaringen van referent worden niet als voldoende betrouwbaar beoordeeld.
Hoewel de minister een belangenafweging had moeten maken bij het middelenvereiste, heeft hij dit nagelaten, wat een motiveringsgebrek oplevert. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het aannemelijk maken van de familierechtelijke relatie ontbreekt. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd, maar de afwijzing van de aanvraag blijft in stand.