ECLI:NL:RBDHA:2025:21213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
25.48508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vreemdelingenbewaring van een Libische nationaliteit met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, van Libische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 oktober 2025, waarin de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende gronden heeft om de maatregel te rechtvaardigen, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft aangevoerd dat hij medische problemen heeft die een lichter middel rechtvaardigen, maar de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat detentie in dit geval gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 16 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48508

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Lamnadi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1989.
De zware en lichte gronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft ter zitting de zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4a laten vallen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden onder 3c en 3i niet heeft betwist. Daar komt bij dat eiser heeft bevestigd dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de vertrekplicht en geen gevolg wil geven aan de verplichting tot terugkeer maar stelt dat dit is ingegeven door angst. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829) volgt dat bij deze zware gronden in het algemeen kan worden volstaan met een feitelijke toelichting. De feitelijkheid van die zware gronden geeft in beginsel grond om aan te nemen dat aan het vereiste van een risico op onttrekking aan het toezicht is voldaan. Een nadere toelichting waarom uit die zware gronden een risico op onttrekking volgt is daarom niet vereist. Wat eiser aanvoert tegen de gronden 3c en 3i is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het rechtsvermoeden dat er een risico is op het onttrekken aan het toezicht te weerleggen.
5. De zware gronden onder 3c en 3i en de daarbij in de maatregel door de minister gegeven motivering zijn naar het oordeel van de rechtbank reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen, zodat de beroepsgronden die zijn gericht tegen de lichte gronden 4c en 4d onbesproken kunnen blijven.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische situatie. Hij heeft last heeft van paniekaanvallen en dit wordt door zijn astma verstrekt. Hij krijgt in het detentiecentrum wel medicijnen hiervoor maar hij moet eigenlijk behandeld worden. Het detentiecentrum is niet de juiste omgeving voor een succesvolle behandeling.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Ten eerste heeft daarbij te gelden dat de zware gronden 3c en 3i en de daarbij gegeven motivering in de maatregel van bewaring wijzen op een risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. Verder blijkt uit het dossier dat eiser zelf geen contact met DT&V heeft opgenomen om zijn zelfstandige vertrek naar Libië te organiseren. Bovendien volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 22 september 2025 dat hij na signalering meldplicht naar de wachtruimte is gestuurd, maar niet is verschenen. De in beroep ingenomen stelling dat eiser last heeft van paniekaanvallen, dat deze door zijn astma versterkt worden en dat – zo begrijpt de rechtbank – het detentiecentrum geen geschikte omgeving voor eiser is omdat zijn paniekaanvallen daar niet (goed) behandeld zouden (kunnen) worden, heeft de vreemdeling niet met de door hem overgelegde stukken onderbouwd. [1] Uit de door eiser overgelegde verwijsbrief van 10 oktober 2025 blijkt juist dat verwacht wordt dat eiser daar goed (psychologisch) behandeld kan worden voor PTSS. Alleen al daarom is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is en niet de nodige medische hulp kan krijgen in het detentiecentrum en dat daarom met een lichter middel zou moeten worden volstaan. Verder is in dit kader van belang dat de minister in de maatregel van bewaring heeft overwogen dat van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maakten, is de rechtbank evenmin gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering. Daartoe betoogt eiser dat onduidelijk is waarom de bewaring zo lang duurt.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. De rechtbank merkt daarbij in de eerste plaats op dat zij dient te beoordelen of de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en niet of de minister (nog) voortvarender kan handelen. De rechtbank acht verder van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat de minister eiser op 2 oktober 2025 in bewaring heeft gesteld en diezelfde dag met eiser een vertrekgesprek heeft gevoerd. Vervolgens heeft op de zevende dag van zijn inbewaringstelling, te weten op 8 oktober 2025, wederom een vertrekgesprek plaatsgevonden, is het dossier van eiser op persoonlijk niveau besproken met de consul van Libië en in is onderzoek genomen. Op 9 oktober 2025, de achtste dag van eisers inbewaringstelling, is de lp-aanvraag van eiser vervolgens in onderzoek genomen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden er geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

10. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden (ECLI:EU:C:2022:858), ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geworden. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet. [2]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.C.M. Boerboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:490
2.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647