Eiser, van Moldavische nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van één jaar wegens het bezit van valse Poolse documenten. De minister stelde dat eiser niet langer rechtmatig verblijf had in Nederland en legde daarom de sancties op.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was opgelegd, omdat eiser zelf verklaarde in het bezit te zijn geweest van valse Poolse documenten en het door hem overgelegde Moldavische rijbewijs niet voldeed aan de vereisten voor een geldig reisdocument. Dit maakte het verblijf in Nederland onrechtmatig.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde eiser dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn werk als chauffeur en de moeilijke economische situatie in Moldavië. De rechtbank constateerde dat het besluit geen kenbare belangenafweging bevatte en vernietigde het inreisverbod vanwege een motiveringsgebrek.
Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand, omdat de minister tijdens de zitting een gemotiveerd standpunt innam dat door eiser niet werd weersproken. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.