ECLI:NL:RBDHA:2025:21159

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.51423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Libische vreemdeling en de afwijzing van het beroep tegen de maatregel van bewaring

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Libische vreemdeling, had tegen het besluit van 15 oktober 2025 beroep ingesteld, waarbij de minister de maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 had opgelegd. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 3 november 2025, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank overwoog dat de minister de maatregel van bewaring had opgelegd vanwege het risico dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De eiser had geen geldige documenten en zijn paspoort was verlopen, wat een belangrijke factor was in de beslissing van de minister. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld in de uitzettingsprocedure en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de redenen voor de maatregel van bewaring.

De rechtbank heeft ook het beginsel van non-refoulement en het belang van het kind en het gezinsleven in overweging genomen, maar vond geen aanknopingspunten dat de uitvoering van het terugkeerbesluit in strijd zou zijn met deze beginselen. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.A. Braeken, in aanwezigheid van griffier P. Bruins.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51423
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft deze gronden niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen.
4. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de maatregel van zijn partner op 31 oktober 2025 is opgeheven na een belangenafweging en dat dit ook voor eiser had behoren te gelden. De minister heeft ter zitting verklaard dat de maatregel van de partner niet is opgeheven na een belangenafweging, maar vanwege onvoldoende voortvarendheid. Zij is namelijk in het bezit van een geldig paspoort en voor haar was op 31 oktober 2025 nog geen vlucht geboekt. Dat geld niet voor eiser omdat hij niet in het bezit is van een geldig paspoort. Het paspoort dat hij heeft is namelijk inmiddels verlopen.
5. Ondanks dat op het model M113 van de partner van eiser is vermeld dat de maatregel is opgeheven vanwege een belangenafweging, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister ter zitting dat de maatregel is opgeheven vanwege onvoldoende voortvarendheid. Eiser heeft de verklaring van de minister ter zitting dat het ingenomen paspoort van eiser – in tegenstelling tot dat van zijn partner - was verlopen, niet bestreden. Ook het feit dat aan de partner van eiser een schadevergoeding over de gehele detentieperiode is toegekend, wijst er op dat onvoldoende voortvarendheid de reden van de opheffing van haar maatregel is geweest. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister de maatregel van eiser niet om dezelfde reden heeft hoeven op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser heeft nog aangevoerd dat de minister de procedure om eiser uit te zetten onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen.
7. Uit de stukken blijkt dat de minister ten behoeve van eiser op 10 september 2025 ten behoeve van eiser een aanvraag om een laissez passer heeft ingediend bij de Libische autoriteiten. Dit was nog vóór de oplegging van de maatregel. Op 25 september is bij de Libische autoriteiten gerappelleerd. Na de oplegging van de maatregel heeft de minister op 16 oktober nogmaals gerappelleerd. Op 23 oktober 2025 heeft ook nog een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.
9. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven. Bij besluit van 9 april 2025 heeft de minister een asielaanvraag van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2025 is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Uit de gronden van beroep en hetgeen ter zitting is besproken volgt niet dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn om aan te nemen dat er op dit moment aanwijzingen zijn dat, als eiser terugkeert naar Tunesië, het non-refoulementbeginsel en/of het belang van het kind en het familie- of gezinsleven zal worden geschonden. De enkele verklaring van eiser ter zitting dat hij alleen terug wil als hem wordt gegarandeerd dat hij veilig kan terugkeren, en veilig door de douane kan, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.