Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Libische vreemdeling, had tegen het besluit van 15 oktober 2025 beroep ingesteld, waarbij de minister de maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 had opgelegd. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 3 november 2025, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank overwoog dat de minister de maatregel van bewaring had opgelegd vanwege het risico dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De eiser had geen geldige documenten en zijn paspoort was verlopen, wat een belangrijke factor was in de beslissing van de minister. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld in de uitzettingsprocedure en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de redenen voor de maatregel van bewaring.
De rechtbank heeft ook het beginsel van non-refoulement en het belang van het kind en het gezinsleven in overweging genomen, maar vond geen aanknopingspunten dat de uitvoering van het terugkeerbesluit in strijd zou zijn met deze beginselen. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.A. Braeken, in aanwezigheid van griffier P. Bruins.