Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 9 januari 2024 ontvangen en na afwijzing van een verzoek tot terugname door Franse autoriteiten werd de minister per 2 april 2024 verantwoordelijk voor de aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden heeft beslist. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een termijn van zestien weken op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Omdat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 zijn komen te vervallen en eiser niet tijdig vóór die datum in gebreke is gesteld, kan de hoogte van reeds verbeurde dwangsommen niet worden vastgesteld.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens het inschakelen van juridische hulp bij het beroepschrift. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 16 oktober 2025.