ECLI:NL:RBDHA:2025:21044
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag onder de Dublinverordening
In deze zaak heeft eiser, een Syrische asielzoeker, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De aanvraag is op 9 februari 2024 ontvangen, en de minister had volgens de wet binnen zes maanden moeten beslissen. Echter, de minister heeft de beslistermijn aanvankelijk verlengd, maar deze verlenging werd later ingetrokken. Hierdoor gold er weer een beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen die na 1 januari 2024 zijn ingediend.
De minister heeft op 11 maart 2024 de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen, wat op dezelfde dag werd geaccepteerd. De rechtbank constateert dat eiser niet tijdig aan Kroatië is overgedragen, waardoor de minister per 12 september 2024 verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvraag. Van 14 december 2024 tot 13 juni 2025 gold er een besluitmoratorium voor Syrië, wat de beslistermijn voor asielaanvragen verlengde tot maximaal 21 maanden.
De rechtbank oordeelt dat de minister uiterlijk op 9 november 2025 moet beslissen op de aanvraag, maar dat eiser de minister op 22 juli 2025 in gebreke heeft gesteld, terwijl de beslistermijn op dat moment nog niet verstreken was. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geen zitting gehouden, omdat partijen daarmee instemden. De uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, en is op 29 september 2025 openbaar gemaakt.