Verzoekster diende op 30 september 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De minister verlengde de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden. Nadat de minister niet tijdig had beslist, stelde verzoekster de minister in gebreke op 10 mei 2025 en stelde vervolgens beroep in op 27 mei 2025 tegen het niet tijdig beslissen.
Op 21 juli 2025 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoekster het beroep introk en verzocht om een proceskostenveroordeling. De rechtbank oordeelt dat de minister geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog te beslissen binnen het beroepstermijn.
De rechtbank stelt vast dat de wet van 12 maart 2025 met een verlengde beslistermijn van negen maanden niet van toepassing is op verzoekster, omdat haar aanvraag vóór die datum werd ingediend. De minister had uiterlijk op 28 maart 2025 moeten beslissen, wat niet is gebeurd.
Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelt de minister tot betaling van €453,50 aan proceskosten, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een lichte wegingsfactor vanwege de aard van het beroep.