ECLI:NL:RBDHA:2025:20960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
C/09/690631 / FA RK 25-6440
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot gezagsuitoefening en hoofdverblijfplaats van een minderjarige na beëindiging zorgregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 november 2025 een beschikking gegeven inzake de gezagsuitoefening en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011. Het verzoek is ingediend door de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. E.G.S.N. Asselbergs, en de moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. F. Pool. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingediende stukken, waaronder verklaringen van de oom en tante van de minderjarige en de verzoeken van beide ouders. De minderjarige heeft zich op 21 oktober 2025 in raadkamer uitgelaten over de verzoeken. Tijdens de zitting is gebleken dat er geen overeenstemming tussen de ouders bestaat over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De vader verzoekt om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen, terwijl de moeder verzoekt om vervangende toestemming voor inschrijving op het adres van haar oom en tante.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders een affectieve relatie hebben gehad en gezamenlijk gezag uitoefenen. De zorgregeling die eerder was vastgesteld, is door de moeder eenzijdig stopgezet na beschuldigingen van seksueel misbruik door de vader, wat door hem wordt ontkend. De rechtbank heeft besloten dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is om de belangen van de minderjarige te waarborgen. De rechtbank heeft de moeder vervangende toestemming verleend om de minderjarige in te schrijven op het adres van haar oom en tante, en heeft de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De behandeling van de zaak is aangehouden tot 1 mei 2026, waarbij de Raad zijn rapport en advies moet indienen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6440
Zaaknummer: C/09/690631
Datum beschikking: 4 november 2025

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 25 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vader, met producties;
  • het verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk zelfstandig verzoek, van de moeder;
  • het aanvullend zelfstandig verzoek van de moeder;
  • de aanvullende verzoeken van de vader.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich op 21 oktober 2025 in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Op 21 oktober 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door de advocaat mr. A.L. Witteveen, waarnemend voor mr. Pool, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
Na de zitting is het volgende stuk ontvangen:
- het e-mailbericht van de oom en tante van [minderjarige] waarin zij verklaren het geen probleem te vinden om [minderjarige] in te laten schrijven op hun BRP-adres.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht te bepalen dat:
- de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn;
- de toestemming van de moeder om de minderjarige in te schrijven op het adres van de vader en op [school] in [plaats 1] , wordt vervangen,
dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
- vervangende toestemming aan de moeder te verlenen om de minderjarige in te schrijven op het adres van de oom en tante te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de [adres] ;
daarnaast heeft de moeder voorwaardelijk, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader wordt bepaald, zelfstandig verzocht:
- een zorgregeling tussen de minderjarige en de moeder vast te stellen, waarbij de minderjarige driemaal in de maand van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur bij de moeder zal verblijven,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft aanvullend verzocht:
  • (zoals ter zitting gewijzigd:) een beschermingsonderzoek door de Raad te gelasten;
  • een bijzondere curator te benoemen, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te
[geboorteplaats] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2018 is – voor zover hier van belang –:
  • bepaald dat aan beide ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zal toekomen;
  • Tot 2021 bestond een zorgregeling tussen [minderjarige] en haar vader die door de moeder eenzijdig is stopgezet.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen, ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hierover op verzoek van de ouders, of een van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Hoofdverblijfplaats [minderjarige]
Op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet tot de mogelijkheden behoort. De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald en de moeder wil dat [minderjarige] wordt ingeschreven op het adres van de oom en tante van [minderjarige] alwaar [minderjarige] momenteel verblijft.
Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken is onder meer het volgende naar voren gekomen. De ouders hebben een affectieve relatie gehad tot 2019. De door de rechtbank bij beschikking van 19 december 2018 vastgestelde zorgregeling is nageleefd tot september 2021. De moeder heeft in september 2021 de zorgregeling eenzijdig stopgezet nadat [minderjarige] op de basisschool had aangegeven seksueel misbruikt te zijn door de vader. De vader ontkent dat er sprake is van seksueel misbruik. De vader heeft na het stopzetten van de zorgregeling geen contact meer opgenomen met [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] hebben tot begin augustus 2025 in [plaats 2] gewoond. De moeder is begin augustus 2025 zonder toestemming van de vader met [minderjarige] naar [plaats 3] vertrokken. Volgens de moeder was er sprake van een ernstige dreiging van leeftijdgenootjes uit de buurt naar [minderjarige] . Volgens de vader is de moeder naar [plaats 3] verhuisd vanwege haar nieuwe vriend. [minderjarige] is op 12 augustus 2025 weggelopen bij haar moeder en naar [plaats 2] gegaan. Vanwege het weglopen en zwartrijden in de trein is via de politie het CIT [plaats 2] en later ook het CIT [plaats 3] betrokken. Volgens de vader stond [minderjarige] bij hem voor de deur en gaf zij aan bij de vader te willen wonen. Uiteindelijk is [minderjarige] half augustus 2025 door het CIT aangemeld voor een crisisplek bij [instelling] in [plaats 2] . Volgens de moeder hebben tijdens het verblijf van [minderjarige] bij [instelling] verschillende overleggen plaatsgevonden met de ouders en hulpverlening, waaruit is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming kwamen over waar [minderjarige] het best kan wonen. Volgens de moeder heeft de vader [minderjarige] meermaals bezocht bij [instelling] , waarbij hij haar onheus bejegend zou hebben, haar zou hebben uitgescholden en bedreigd. De vader ontkent dit. [minderjarige] zou aan de moeder te kennen hebben gegeven niet langer bij [instelling] te willen verblijven, waarop de moeder [minderjarige] heeft opgehaald. Omdat er geen sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing heeft [instelling] dit niet tegengehouden. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij haar oom en tante vaderszijde.
In het gesprek met de kinderrechter op 21 oktober 2025 heeft [minderjarige] aangegeven dat zij bij haar oom en tante wil blijven wonen en dat zij graag weer naar haar oude school in [plaats 1] wil.
Volgens de vader is [minderjarige] niet veilig bij haar oom en tante. De vader heeft naar voren gebracht dat er sprake is van drugsgebruik bij de oom en tante en dat daar ook drugs worden verhandeld. De moeder ontkent dit en beschuldigt op haar beurt de vader van drugs- en alcoholgebruik waardoor de veiligheid van [minderjarige] bij de vader thuis juist in het geding is.
Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een onderzoek door de Raad geïndiceerd is. De rechtbank kan, gelet op de door de ouders over en weer gedane beschuldigingen, op dit moment niet goed vaststellen wat het meest in het belang van [minderjarige] is met betrekking tot haar hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal de Raad verzoeken hierover een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij begeleid wil worden in het contact met haar vader en dat zij veel vragen heeft aan hem. De moeder heeft op haar beurt voorwaardelijk verzocht een zorgregeling vast te stellen voor het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader wordt bepaald. Gelet hierop zal de rechtbank de Raad verzoeken ook met betrekking tot het contact tussen [minderjarige] en haar vader en tussen [minderjarige] en haar moeder een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen.
De rechtbank gaat er daarnaast van uit dat de Raad het onderzoek zal uitbreiden naar een beschermingsonderzoek als de Raad dit nodig vindt.
Vervangende toestemming inschrijving school
Ter zitting is gebleken dat de ouders het er over eens zijn dat [minderjarige] weer wordt ingeschreven op [school] in [plaats 1] . De ouders hebben aangegeven dat zij gelet op de overeenstemming wat dat betreft geen beslissing van de rechtbank meer nodig hebben.
Vervangende toestemming inschrijving adres
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het BRP-adres van haar oom en tante toewijzen.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Zoals overwogen zijn de ouders het over eens dat [minderjarige] weer wordt ingeschreven op [school] in [plaats 1] . Ter zitting is gebleken dat beide ouders het er ook over eens zijn dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Voor zowel de inschrijving op de school als voor het in aanmerking komen voor hulpverlening is het nodig dat [minderjarige] in de regio waar zij momenteel feitelijk verblijft, wordt ingeschreven. De oom en tante hebben na de zitting via een e-mail aangegeven geen bezwaar te hebben tegen inschrijving van [minderjarige] op hun adres. Op de zitting heeft de rechtbank reeds naar voren gebracht dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij op een plek verblijft waar zij veilig is. [minderjarige] heeft zelf aangegeven dat zij bij haar oom en tante wil verblijven. Hoewel de rechtbank de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats aanhoudt, heeft de rechtbank op dit moment onvoldoende aanleiding om te concluderen dat zij bij haar oom en tante niet veilig is. Het verzoek van de moeder om [minderjarige] in te schrijven op het BRP-adres van haar oom en tante sluit aan bij de feitelijke woonplek van [minderjarige] op dit moment en is gelet op het voorgaande in haar belang.
Benoeming bijzondere curator
Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De vader heeft verzocht om de benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige] . De vader heeft als voornaamste argumenten aangevoerd voor de benoeming dat de bijzondere curator mee zou kunnen kijken naar hoe het contact tussen [minderjarige] en de ouders het beste vormgegeven kan worden en dat deze sneller aan de slag kan gaan dan een jeugdbeschermer. De moeder staat achter de benoeming van een bijzondere curator.
De rechtbank zal vooralsnog niet overgaan tot de benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank zal, zoals overwogen, de Raad verzoeken een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen. De rechtbank gaat er vanuit dat de Raad de rechtbank van de informatie zal voorzien die de rechtbank nodig heeft om een juiste beslissing te kunnen nemen. De rechtbank heeft op dit moment niet de verwachting dat een rapport van een bijzondere curator daar iets aan toevoegt. [minderjarige] heeft in het gesprek met de rechtbank aangegeven dat zij veel last heeft van nare dingen die in het verleden zijn gebeurd en dat zij daarover vragen heeft aan de vader. De rechtbank acht hulpverlening voor [minderjarige] in haar belang en gaat ervan uit dat de Raad ook dit betrekt bij het onderzoek. De benoeming van een bijzondere curator sluit naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog niet aan bij de behoefte die [minderjarige] zelf heeft geuit.

Beslissing

De rechtbank:
*
geeft de moeder vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , in te schrijven op het adres van haar oom en tante te [plaats 2] ( [postcode] ), [adres] en verklaart deze vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Wat is ten aanzien van de hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige] ?
Welke zorgregeling met zowel de moeder als de vader is in het belang van [minderjarige] ?
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
1 mei 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling met moeder en de benoeming van een bijzondere curatoraan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.