ECLI:NL:RBDHA:2025:20916
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding na tijdige beslissing minister op bezwaar vreemdelingen
Verzoeker diende beroep in tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de minister van Asiel en Migratie op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 3 juli 2025 nam de minister alsnog een besluit op het bezwaar, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Hierdoor was het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond. De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een bedrag van €453,50 toe, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Daarnaast verwierp de rechtbank het standpunt van de minister dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling. De rechtbank bevestigde de geldigheid van de ingebrekestelling, ook al was deze via het Advocatenportaal ingediend, conform eerdere jurisprudentie.
De uitspraak werd gedaan door rechter O. Veldman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 9 september 2025 in Utrecht, zonder zitting.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €453,50 inclusief griffierecht.