ECLI:NL:RBDHA:2025:20916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.23249
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit Proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na tijdige beslissing minister op bezwaar vreemdelingen

Verzoeker diende beroep in tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de minister van Asiel en Migratie op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 3 juli 2025 nam de minister alsnog een besluit op het bezwaar, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Hierdoor was het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond. De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een bedrag van €453,50 toe, inclusief vergoeding van het griffierecht.

Daarnaast verwierp de rechtbank het standpunt van de minister dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling. De rechtbank bevestigde de geldigheid van de ingebrekestelling, ook al was deze via het Advocatenportaal ingediend, conform eerdere jurisprudentie.

De uitspraak werd gedaan door rechter O. Veldman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 9 september 2025 in Utrecht, zonder zitting.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €453,50 inclusief griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23249
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het bezwaar).
Op 3 juli 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op het bezwaar.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op het verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers alsnog een besluit op het bezwaar van verzoeker genomen. Anders dan de minister in zijn brief van
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
29 augustus 2025 stelt, heeft eiser op 7 mei 2025 een ingebrekestelling ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan schriftelijk bevestigd. Er is geen grond voor het oordeel dat deze ingebrekestelling niet geldig zou zijn omdat hij niet bij het juiste (digitale) loket zou zijn ingediend. In de uitspraak van 8 april 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem,3 geoordeeld dat een via het Advocatenportaal ingediende ingebrekestelling rechtsgeldig is. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden voor een andersluidend oordeel. Dat betekent dat de rechtbank het standpunt van de minister dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn geweest wegens het ontbreken van een ingebrekestelling, niet volgt.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.4

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
4 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.