ECLI:NL:RBDHA:2025:20863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL24.48827 NL24.48828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens onvoldoende aannemelijk risico bendegeweld en effectieve bescherming autoriteiten

Eisers hebben asielaanvragen ingediend na meerdere incidenten van bendegeweld, waaronder overvallen en een poging tot inbraak. De minister heeft deze aanvragen afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een reëel risico op ernstige schade en de mogelijkheid tot effectieve bescherming door de autoriteiten.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de bedreigingen en de poging tot inbraak niet volledig geloofwaardig zijn en dat de situatie ter plaatse aanzienlijk is verbeterd door overheidsmaatregelen tegen bendegeweld. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat zij bij terugkeer niet adequaat beschermd zullen worden.

De rechtbank heeft het verzoek van eisers om het verweerschrift buiten beschouwing te laten afgewezen en heeft vastgesteld dat de minister het voordeel van de twijfel terecht niet heeft toegekend. Het beroep is ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

De uitspraak benadrukt dat de autoriteiten in de betreffende plaats een sterke inzet tonen tegen bendegeweld en dat eisers geen concrete feiten hebben aangevoerd die het tegendeel aannemelijk maken. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvragen wegens onvoldoende aannemelijk risico en effectieve bescherming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.48827 en NL24.48828

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser, en
[eiseres], V-nummer [V-nummer] , eiseres,
tezamen te noemen “eisers” (gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.V. Bekker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 20 juni 2022 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van [plaatselijke] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1998, respectievelijk [geboortedatum 2] 2000. De minister heeft met de bestreden besluiten van 8 november 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van de minister en A. van Coster als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag.
4. Op 18 mei 2022 zijn eisers overvallen in hun auto door op dat moment voor hun onbekende personen. Zij namen naast een aantal andere spullen ook eisers zakelijke telefoon mee. Eiseres is hierbij bedreigd met een pistool tegen haar hoofd. Eiser heeft hier aangifte van gedaan bij de politie. Op 27 mei 2022 werden eisers tegengehouden in de bus door een man met een pistool en meegenomen naar een straat waar nog andere mannen waren. Eisers werden bedreigd, waarbij werd verteld dat de overvallers wisten wie ze waren, waar ze woonden, hoeveel winkels ze hadden en dat ze het financieel goed hadden. Deze mannen wilden eind juni 2022 700 dollar van eisers hebben en vervolgens elke maand 500 dollar. Doordat zij heel veel over eisers wisten, konden eisers deze gebeurtenis in verband brengen met de gebeurtenis op 18 mei 2022 en concluderen dat beide overvallen zijn uitgevoerd door leden van dezelfde bende. Op 30 mei 2022 is er een poging tot inbraak gedaan in het huis van eisers. Deze mensen renden weg nadat eiser het licht aandeed. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan bij het openbaar ministerie maar hier kwam niets uit. Daarop besloten eisers het land te verlaten.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De identiteit, uw nationaliteit en herkomst
De overval op 18 mei 2022
Bedreiging en chantage op 27 mei 2022
De (poging tot) inbraak op 30 mei 2022
6. De minister heeft zich in de bestreden besluiten hierover op het standpunt gesteld dat asielmotieven 1, 2 en 3 niet ter discussie staan en asielmotief 4 deels geloofwaardig is. De minister acht niet aannemelijk dat de poging tot inbraak op 30 mei 2022 door leden van bende 18 is gepleegd, gelet op de verschillende modus operandi ten opzichte van de voorvallen op 18 en 27 mei 2022. Dat bende 18 achter de poging tot inbraak op 30 mei 2022 zou zitten, berust slechts op aannames van eisers. Bovendien verliep de eerste betalingsverplichting pas eind juni 2022. De minister wijst er ook op dat sinds 2022 het bendegeweld in [plaats] aanzienlijk is afgenomen door actieve bestrijding door de overheid. Bendeleiders zijn vertrokken en bendeleden worden opgepakt. In een dergelijke situatie had eiser zich tot de autoriteiten kunnen wenden voor bescherming. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
7. De minister heeft op 1 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. Eisers vinden dat te laat en achten dit in strijd met de goede procesorde; zij hebben de rechtbank verzocht om dit stuk buiten beschouwing te laten.
8. De rechtbank wijst dit verzoek af. Naar het oordeel van de rechtbank is een verweerschrift niet een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, maar een schriftelijke versie van het standpunt van de minister ter zitting. De rechtbank zal daarom kennis nemen van dit verweerschrift. Ter zitting is aan de gemachtigde van eisers de gelegenheid geboden om een leespauze te nemen, maar daarvan is geen gebruik gemaakt.
9. Eisers hebben ter zitting de gronden over de toepassing van het Vluchtelingenverdrag, aanspraken op een verblijfsvergunning regulier, uitstel van vertrek en het terugkeerbesluit (nummers 17, 22, 23 en 24 in de gronden van het beroep van 6 januari 2025) ingetrokken.
De geloofwaardigheid van de asielmotieven
10. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat wel geloofwaardig is dat de inbraakpoging van 30 mei 2022 is gepleegd door leden van bende 18. Zij hebben immers de inbraak niet doorgezet, maar hebben eisers alleen schrik aangejaagd als signaal. De minister heeft de andere intimidatiepogingen van bende 18 immers wel aannemelijk geacht. Bovendien heeft de minister niet gemotiveerd waarom de deels ongeloofwaardige gebeurtenis van 30 mei 2022 zwaarder weegt dan de geloofwaardige gebeurtenissen van 18 en 27 mei 2022.
11. In het voornemen staat vermeld dat de minister de bedreigingen op 27 mei 2022 niet geloofwaardig acht. In het besluit staat dat omdat in de zienswijze niet op dit punt ingegaan is dit asielmotief niet ter discussie staat. De rechtbank stelt vast dat de minister geloofwaardig acht dat eisers werden geïntimideerd door bendeleden Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze conclusie van de minister niet anders door het deels niet geloofwaardig achten van de gebeurtenissen van 30 mei 2022. De rechtbank neemt dit aan als uitgangspunt voor het vervolg van deze uitspraak.

Voordeel van de twijfel

12. Eisers hebben aangevoerd dat hen het voordeel van de twijfel moet worden gegund en hun aanvragen ingewilligd dienen te worden omdat verweerder de asielmotieven grotendeels geloofwaardig heeft geacht.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte eisers niet het voordeel van de twijfel heeft gegund aangezien de verklaringen over het asielmotief “poging tot inbraak op 30 mei 2022” geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en de minister de bedreigingen op 27 mei 2022 niet geloofwaardig acht. Daarmee is niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, sub c van de Vreemdelingenwet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Risico op ernstige schade en bescherming inroepen van de autoriteiten
14. Eisers betwisten niet dat bij terugkeer de mogelijkheid bestaat om bescherming in te roepen van de autoriteiten, maar voeren aan dat de autoriteiten deze bescherming niet bieden. Dat bendeleden gearresteerd en gedetineerd worden is schijn. De minister baseert zicht slechts op één bron en de overheid laat uitsluitend aangewezen journalisten selectief nieuws brengen. Dit betekent dat een eventuele aangifte niet zal leiden tot het stoppen van de bedreigingen want de overheid zal eisers niet effectief beschermen. Zij zullen daarom door hun enkele aanwezigheid in [plaats] een reëel risico lopen om te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft in het besluit niet gereageerd op het standpunt hierover in de zienswijze.
15. De rechtbank is van oordeel dat uit de door de minister aangehaalde bronnen blijkt dat de machtspositie die de bendes ooit hadden in [plaats] drastisch is afgenomen sinds de noodtoestand is uitgeroepen door de president van [plaats] op 27 maart 2022, en die sindsdien ook meerdere keren is verlengd. De minister heeft hierbij gewezen op openbare bronnen (zie de noten op pag. 4 van het voornemen en de bronnen op pag. 5 van het besluit) waaruit blijkt dat de president het bendegeweld hard aanpakt en dat de maatregelen die hij heeft getroffen effect hebben op het bendegeweld in [plaats] . Zo zijn in opdracht van de president hele wijken uitgekamd om alle bendeleden op te sporen en te arresteren. Deze mensen zijn overgebracht naar een speciale en zeer grote gevangenis, die in februari 2023 is opengegaan. Voorts mocht de minister uit de genoemde bronnen afleiden dat de maatregelen die de overheid heeft genomen wel degelijk effect hebben en dat de situatie in [plaats] wat betreft bendegeweld aanzienlijk is verbeterd. Zo volgt uit meerdere bronnen dat het bendegeweld in [plaats] is gestopt en dat het aantal bendegerelateerde moordincidenten in 2023 aanzienlijk is afgenomen. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat, als eisers bij terugkeer slachtoffer worden van bedreiging of geweld het niet aannemelijk is dat de politie eisers niet kan of wil beschermen. Uit de door verweerder aangehaalde bronnen blijkt namelijk ook van een extreme bereidheid van die autoriteiten om het bendegeweld aan te pakken. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden gesteld en/of onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat dat in hun specifieke geval anders zou zijn.
16. Eisers hebben geen objectieve onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat de maatregelen geen effect hebben of dat niet van de juistheid van de door verweerder aangehaalde informatie kan worden uitgegaan. Eisers hebben hun stelling dat de overheid uitsluitend aangewezen journalisten selectief nieuws laat brengen, evenmin nader onderbouwd. Het is immers aan eisers om aannemelijk te maken dat zijzelf problemen (ernstige schade) zullen ondervinden bij terugkeer, bijvoorbeeld doordat bende 18 nog steeds naar eisers zoekt. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. Dat verweerder een deel van het asielrelaas van eisers geloofwaardig heeft geacht, maakt het hiervoor overwogene niet anders. Dit betekent namelijk niet (per definitie) dat eisers reeds zijn blootgesteld aan ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw of dat zij hiermee rechtstreeks zijn bedreigd of dat zij daarvoor bij terugkeer hebben te vrezen.
17. Eisers hebben hun stelling dat de overheid hen desgevraagd geen hulp en bescherming kan bieden, evenmin nader onderbouwd. Eisers hebben verklaard na het eerste incident wel aangifte te hebben gedaan bij het dichtstbijzijnde politiebureau, waarbij zij zijn verwezen naar de politie in hun eigen gemeente, maar dat zij, toen zij hoorden dat de aangifte daar niet was ontvangen, daar niet alsnog aangifte hebben gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister het bevreemdend vinden dat eisers op dat moment niet alsnog aangifte hebben gedaan, juist omdat op dat moment de noodtoestand al van kracht was. Eisers hebben verklaard dat de eerdere aangifte in het ambtelijk proces verdwenen was, maar daar blijkt niet uit dat de instanties hen niet verder hebben willen helpen. Hetzelfde geldt voor de gestelde aangifte die eisers bij het openbaar ministerie hebben gedaan. Eisers hebben deze verklaringen niet nader onderbouwd met stukken of met algemene informatie waaruit zou kunnen blijken dat de autoriteiten niet bereid of in staat waren om de gevraagde bescherming te bieden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lopen eisers gevaar door hun enkele aanwezigheid in [plaats] ?

18. De rechtbank stelt vast dat de minister geen zogenoemd 15c-beleid voor [plaats] voert. Uit de landeninformatie volgt dat er een extreme bereidheid is vanuit de [plaatselijke] autoriteiten om bendegeweld aan te pakken. De minister heeft ook aan eisers mogen tegenwerpen dat zij geen (verdere) aangifte hebben gedaan bij de politie of het openbaar ministerie, of andere instanties hebben gevraagd om hen te helpen. Mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar [plaats] enkel door hun aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade lopen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

19. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.