Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam], V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag de beroepen van meerdere eisers tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat verantwoordelijk voor het eerste asielverzoek de behandeling voert. Nederland had een verzoek tot terugname van de asielaanvragen ingediend bij Duitsland, dat dit verzoek accepteerde.
Eisers stelden dat de minister ten onrechte geen gebruik maakte van de bevoegdheid om af te zien van overdracht op grond van bijzondere omstandigheden (artikel 17 Dublinverordening Pro). De rechtbank oordeelde dat de minister zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat dergelijke omstandigheden niet waren aangetoond. Daarnaast werd geoordeeld dat de belangen van minderjarige kinderen voldoende waren meegewogen, waarbij werd benadrukt dat het in het belang van de kinderen is bij hun ouders te blijven.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waardoor het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvragen in stand blijft en overdracht aan Duitsland kan plaatsvinden. Eisers ontvangen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en overdracht aan Duitsland blijft mogelijk.