In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een beroep van eiser tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiser had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister had niet tijdig beslist. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag op 2 november 2023 had ontvangen en dat de beslistermijn van 21 maanden op 6 augustus 2025 was verstreken, toen eiser de minister in gebreke stelde. De rechtbank concludeerde dat het beroep gegrond was, omdat de minister niet binnen de gestelde termijn had beslist.
De rechtbank gaf de minister een termijn van twee weken om alsnog een besluit te nemen, maar bepaalde ook dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moest afnemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, omdat eiser een professionele juridische hulpverlener had ingeschakeld.
De uitspraak werd gedaan door mr. G.P. Loman en is openbaar gemaakt op 30 september 2025. De rechtbank vernietigde het niet tijdig nemen van een besluit door de minister en legde hem specifieke termijnen op voor het afnemen van een gehoor en het nemen van een besluit.