ECLI:NL:RBDHA:2025:20777
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Letland
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, diende op 27 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, vanwege een visum dat minder dan zes maanden was verlopen op het moment van de aanvraag.
Eiser stelde dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd en dat de minister onbehoorlijk had gehandeld door direct een besluit te nemen zonder na te gaan waarom geen zienswijze was ingediend. Ook voerde hij aan dat er risico was op indirect refoulement bij overdracht aan Letland vanwege zijn situatie aldaar.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het besluit nam, dat de kennelijke verschrijving over een verblijfstitel in plaats van een visum niet tot ondeugdelijkheid van het besluit leidde, en dat eiser geen uitstel had gevraagd voor het indienen van een zienswijze. Het beroep op risico indirect refoulement faalde omdat eiser dit onvoldoende onderbouwde en het interstatelijk vertrouwensbeginsel hier van toepassing is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister handelde rechtmatig door de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Letland verantwoordelijk is.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.