ECLI:NL:RBDHA:2025:20692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.48306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Richtlijn 2004/38/EGArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser is sinds 28 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot het sluiten van het onderzoek bevestigd.

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op basis van artikel 13 van Pro de EU Verblijfsrichtlijn, stellende dat hij recht heeft op voortgezet verblijf na ontbinding van zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw. De rechtbank oordeelt dat dit beroep op EU-recht niet kan slagen, omdat het Unierecht destijds niet is geactiveerd en het arrest Wupperthal niet van toepassing is. Dit wordt aangemerkt als misbruik van recht.

Daarnaast voert eiser aan dat zijn psychische toestand is verslechterd en dat medicatie in het land van herkomst ontbreekt, waardoor het terugkeerbesluit niet langer als grondslag kan dienen. De rechtbank vindt deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

[V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 september 2025 (in de zaak NL25.39214) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Op 8 oktober 2025 is namens eiser een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. In deze aanvraag wordt een beroep gedaan op artikel 13 van Pro de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) met name op het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of van beëindiging van het geregistreerde partnerschap. Eiser meent dat hij op
grond van het genoemde artikel aanspraak kan maken op voortgezet rechtmatig verblijf en dat om die reden de bewaring moet worden opgeheven.
3.1
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat eiser gehuwd is geweest met een Nederlandse vrouw. Dit huwelijk is ontbonden in 2021. Gesteld noch gebleken is dat de toenmalige echtgenote van eiser destijds het Unierecht heeft geactiveerd, op grond waarvan eiser ten tijde van het huwelijk als echtgenoot van een Unieburger eveneens recht op verblijf zou hebben gekregen. Reeds om die reden kan eisers verzoek om toetsing aan het Unierecht niet tot een door eiser gewenst resultaat leiden. Eisers niet nader onderbouwde beroep op artikel 20 VWEU Pro en het arrest Wupperthal (HvJEU, C-130/24 (Stadt Wuppertal), ECLI:EU:C:2025:340) maakt dit niet anders. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat het arrest Wupperthal handelt over afgeleid verblijfsrecht als ouder van een minderjarige unieburger. In de zaak van eiser speelt dit niet. Alhoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechtheid van eisers advocaat om de zaak van eiser getoetst te zien aan het Unierecht, komt de rechtbank gelet op de kansloosheid ervan tot de conclusie dat het verzoek gelijkgesteld moet worden met ‘misbruik van recht’ zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2711). Het verzoek zoals het voorligt kon immers niet leiden tot het gewenste resultaat en dat was bij voorbaat al duidelijk.
3.2
Hieruit volgt dat eiser zich door de aanvraag om toetsing aan het Unierecht geen procedureel rechtmatig verblijf heeft verworven en verweerder eiser om die reden dan ook niet in vrijheid heeft hoeven stellen.
4. Eiser voert verder aan dat ten opzichte van het terugkeerbesluit van 14 april 2023 sprake is van een verslechtering van zijn psychische toestand. Ook is onduidelijk of de medicatie die eiser krijgt in zijn land van herkomst beschikbaar is. Om die reden moet volgens eiser dan ook een herbeoordeling van het terugkeerbesluit plaatsvinden en kan het terugkeerbesluit niet langer als grondslag voor de bewaring dienen. Eisers psychische toestand maakt voortduring van de bewaring voorts onevenredig, aldus eiser.
5. Deze beroepsgronden slagen ook niet. Hiervoor is reeds redengevend dat door eiser niet is onderbouwd dat er ten opzichte van de situatie als ten tijde van het terugkeerbesluit sprake is van een verslechtering van zijn psychische situatie. Eiser heeft evenmin kunnen aangeven welke medicatie hij in verband hiermee thans zou gebruiken.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 oktober 2025

Documentcode: DSR55656560

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.