Eiser werd op 19 september 2025 vrijheidsontnemend vastgehouden op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op een mogelijke overdracht aan Italië op basis van de Dublinverordening. Verweerder handhaafde de grensdetentie ondanks dat bekend was dat overdracht aan Italië niet uitvoerbaar was.
Eiser stelde dat de detentie onrechtmatig was omdat het doel van de maatregel feitelijk niet bereikt kon worden. De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid voor een doel werd gebruikt dat niet kon worden gerealiseerd en dat de maatregel daarom vanaf het begin onrechtmatig was. De grensdetentie werd op 26 september 2025 opgeheven.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van € 800 voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van € 907. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter Crul.