ECLI:NL:RBDHA:2025:20678
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenvergoeding in asielzaak na intrekking beroep
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan over een verzoek van een asielzoeker om vergoeding van proceskosten. De verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, had eerder een beroep ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door Y. Makarevich, omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank had de minister opgedragen om binnen twee weken na de uitspraak van 3 april 2025 te beslissen op de aanvraag. Op 30 september 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen, waarna de verzoeker zijn beroep heeft ingetrokken en om proceskostenvergoeding heeft verzocht.
De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, hij uiteindelijk tegemoet is gekomen aan het beroep van de verzoeker door een besluit te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker procesbelang had, omdat de rechterlijke dwangsom nog niet volledig was verbeurd op het moment van indienen van het beroep. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Dit bedrag is vastgesteld op basis van de inschakeling van een professionele juridische hulpverlener en de wegingsfactor van de zaak, die als lichtgewicht werd beschouwd. De uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf en is openbaar gemaakt op 31 oktober 2025.